Systemisch werk en religieus trauma: Wat draag je nog mee uit je familiesysteem?
Systemisch werk en religieus trauma: Wat draag je nog mee uit je familiesysteem?
In de vorige delen schreef ik over religieus trauma, het zenuwstelsel en onveilige hechting. Over hoe je verstand allang kan begrijpen waar bepaalde patronen vandaan komen, terwijl je lichaam soms nog reageert alsof het oude gevaar opnieuw aanwezig is. Maar wat als je inmiddels veel hebt verwerkt, je hechtingspatronen herkent, religieuze overtuigingen hebt onderzocht en toch merkt dat bepaalde gevoelens of gedragingen steeds opnieuw terugkomen?
Dan kan er nog een andere laag interessant worden: Het systeem waarin je bent opgegroeid.
Want we worden niet alleen gevormd door wat ons persoonlijk is overkomen. We groeien op binnen een gezin, een familie, een cultuur, een geloofsgemeenschap en soms binnen generaties waarin bepaalde overtuigingen, rollen en manieren van omgaan met emoties al veel langer bestaan. Je kunt als volwassene heel bewust geworden zijn van je eigen geschiedenis en toch merken dat er ergens een loyaliteit, verantwoordelijkheid of ongeschreven regel blijft meespelen die veel ouder is dan de keuzes die je vandaag bewust maakt.
Je groeit nooit alleen als individu op.
Vanaf je geboorte maak je deel uit van een systeem. In eerste instantie is dat meestal je gezin, maar daarachter staan weer ouders, grootouders en eerdere generaties die allemaal hun eigen geschiedenis meenemen. Oorlog, verlies, armoede, ziekte, geweld, scheiding, geloof, schaamte en sociale normen kunnen invloed hebben op hoe binnen een familie met emoties, conflict, liefde, veiligheid en loyaliteit wordt omgegaan.
Een kind vraagt zich niet af welke patronen al generaties in een familie aanwezig zijn. Het past zich aan aan wat er is. Wanneer thuis niet over verdriet wordt gesproken, leer je misschien je verdriet in te houden. Wanneer boosheid gevaarlijk is, leer je misschien conflicten te vermijden. Wanneer één ouder kwetsbaar is, kun je ongemerkt degene worden die sterk moet zijn. Wanneer harmonie belangrijker is dan eerlijkheid, kun je leren jezelf aan te passen voordat je überhaupt hebt gevoeld wat jij nodig hebt.
Dat kan later onderdeel worden van wie je denkt dat je bent, terwijl het ooit vooral een manier was om binnen je gezin je plek, verbinding en veiligheid te behouden.
Wat als je de hechting al begrijpt, maar het patroon toch terugkomt?
Dat is voor mij een van de interessante vragen binnen systemisch werk. Stel dat je inmiddels begrijpt dat je verlatingsangst of bindingsangst hebt ontwikkeld, dat je weet waarom je snel gaat pleasen of waarom afstand in relaties vroeger zoveel spanning opriep, en dat je daar al veel in hebt veranderd. Toch kan er nog iets anders blijven bestaan.
Misschien voel je je nog steeds verantwoordelijk wanneer iemand anders ongelukkig is. Misschien vind je het moeilijk om méér succes, vrijheid of geluk toe te laten dan je ouders ooit hadden. Misschien zeg je rationeel dat je niet verantwoordelijk bent voor je moeder, vader, partner of familie, terwijl je lichaam onmiddellijk in actie komt wanneer één van hen spanning ervaart. Misschien blijf je degene die alles oplost, iedereen bij elkaar houdt of de vrede bewaart, ook wanneer je daar zelf allang niet meer bewust voor kiest.
Dan kan de vraag verschuiven van: Waarom doe ik dit? naar: Welke plek heb ik binnen mijn systeem ingenomen, en wat betekende het vroeger wanneer ik die rol níét vervulde?
Dat is een andere manier van kijken. Niet alleen naar wat jou is overkomen, maar ook naar de functie die bepaald gedrag ooit binnen jouw gezin of familie had.
De rol die je ooit hielp, kan later tegen je gaan werken.
Binnen gezinnen ontstaan vaak rollen zonder dat iemand ze bewust verdeelt. Het ene kind wordt de sterke, het andere het brave kind, iemand wordt de rebel, de vredestichter, de verzorger, degene die nooit problemen veroorzaakt of juist degene bij wie alle problemen zichtbaar worden.
Zo’n rol kan heel functioneel zijn geweest. Als jij als kind merkte dat er thuis al genoeg spanning was, kon het veiliger voelen om weinig te vragen en vooral geen extra problemen te veroorzaken. Wanneer een ouder emotioneel niet beschikbaar was, kon je juist heel zelfstandig worden. Wanneer er veel conflicten waren, kon jij degene worden die voortdurend probeerde iedereen tevreden te houden.
Later kan precies dat gedrag worden omschreven als pleasen, perfectionisme, controledrang, moeite met hulp vragen of jezelf wegcijferen, terwijl daar soms een veel oudere systemische logica onder zit: Dit was mijn manier om binnen mijn gezin verbonden en veilig te blijven.
Bewustwording helpt enorm, maar het betekent niet automatisch dat je lichaam en gedrag direct stoppen met wat jarenlang jouw plek in het systeem heeft ondersteund.
Loyaliteit is niet hetzelfde als bewust kiezen.
Loyaliteit binnen families is vaak veel subtieler dan simpelweg zeggen dat je trouw bent aan je ouders. Je kunt het fundamenteel oneens zijn met hoe je bent opgevoed en tegelijkertijd diep vanbinnen moeite hebben om werkelijk een andere weg te kiezen.
Dat zie je bijvoorbeeld wanneer iemand zegt: “Ik wil het heel anders doen dan mijn moeder”, maar zichzelf vervolgens toch steeds op dezelfde manier wegcijfert. Of wanneer iemand bewust weet dat hij een eigen leven mag leiden, maar schuld ervaart zodra het beter met hem gaat dan met zijn familie. Ook het idee dat je familie niet afvalt, dat je bepaalde dingen niet naar buiten brengt of dat je je ouders altijd moet respecteren, ongeacht wat er gebeurd is, kan heel diep zitten.
Binnen religieuze gezinnen kan die loyaliteit nog een extra laag krijgen. Dan gaat het niet alleen over trouw zijn aan je familie, maar ook aan het geloof waar generaties voor jou uit hebben geleefd. Een andere geloofsopvatting ontwikkelen kan daardoor veel groter voelen dan alleen van mening veranderen. Het kan onbewust ervaren worden als afstand nemen van je ouders, grootouders, familiegeschiedenis en alles waar zij hun leven op hebben gebouwd.
Wanneer familie en geloof één systeem worden.
Juist daar kunnen religieus trauma en systemische patronen sterk met elkaar verweven raken. Wanneer vrijwel iedereen in je familie dezelfde kerk bezoekt, dezelfde overtuigingen heeft en dezelfde taal gebruikt over God, zonde, gehoorzaamheid en eeuwigheid, is geloof niet alleen een persoonlijke overtuiging. Het is ook onderdeel van erbij horen.
Wanneer je vervolgens vragen begint te stellen, kan er veel meer op het spel lijken te staan dan alleen theologie. Wie ben ik nog als ik dit niet meer geloof, hoor ik nog wel bij mijn familie, stel ik mijn ouders teleur, wat zouden mijn grootouders hiervan gevonden hebben, mag ik een andere weg kiezen dan generaties voor mij, en wat gebeurt er met onze relatie wanneer mijn familie werkelijk gelooft dat ik daarmee mijn eeuwige bestemming in gevaar breng?
Je kunt rationeel volledig achter je eigen keuzes staan en toch schuld, verdriet of spanning voelen. Niet noodzakelijk omdat je oude religieuze overtuiging diep vanbinnen toch waar zou voelen, maar omdat ergens een andere laag wordt geraakt: Verbinding en erbij horen.
Ongeschreven regels kunnen sterker zijn dan uitgesproken regels.
Iedere familie kent regels waar meestal nergens een handleiding van bestaat. Soms zijn ze heel duidelijk, soms merk je pas veel later dat ze überhaupt bestonden. Bij ons praten we niet over problemen, je houdt privézaken binnen de familie, je moet sterk zijn, je klaagt niet, je zorgt voor een ander, je respecteert je ouders, boos worden is niet goed, familie laat je niet vallen, jezelf op de eerste plaats zetten is egoïstisch, seksualiteit bespreken we niet, over psychische problemen praat je niet of wat God heeft bepaald stel je niet ter discussie.
Wanneer zulke regels samenvallen met religieuze boodschappen, kunnen ze elkaar versterken. “Je ouders eren” kan bijvoorbeeld een veel grotere betekenis krijgen wanneer je als kind hebt geleerd dat grenzen stellen respectloos is. “Vergeven” kan problematisch worden wanneer iemand daardoor denkt geen afstand te mogen nemen van degene die hem beschadigd heeft. Maar het kan ook juist een sterke weerstand oproepen wanneer vergeving vanuit de religieuze opvoeding steeds als verplichting is meegegeven: Je moet vergeven, anders zit jij fout. Dan kan zelfs een oprechte uitnodiging tot vergeving later voelen als druk, omdat het woord verbonden is geraakt aan jezelf wegcijferen, te snel doorgaan of geen ruimte mogen geven aan boosheid, verdriet en grenzen.
“Jezelf wegcijferen” kan op die manier gemakkelijk verward raken met liefde, dienstbaarheid en goed christen-zijn. Dan hoeft niemand je als volwassene meer te vertellen wat je moet doen, de regel leeft inmiddels vanbinnen verder.
Parentificatie: Wanneer een kind verantwoordelijk wordt voor wat te groot is.
Een andere systemische laag die ik belangrijk vind, is parentificatie. Daarmee wordt bedoeld dat een kind verantwoordelijkheden op zich neemt die eigenlijk niet bij zijn leeftijd of positie passen. Dat kan praktisch zijn, maar ook emotioneel.
Een kind kan bijvoorbeeld degene worden die een ouder troost, conflicten probeert te voorkomen, de sfeer bewaakt of voortdurend rekening houdt met de draagkracht van anderen. Het leert dan al vroeg om eerst te voelen hoe het met iedereen om zich heen gaat en pas daarna, als daar nog ruimte voor is, te kijken naar zichzelf.
Later kan dat heel normaal voelen. Je bent “gewoon zorgzaam”, “sterk” of “goed in aanvoelen wat een ander nodig heeft”. Dat kunnen prachtige eigenschappen zijn, maar wanneer je nauwelijks nog weet wat jíj nodig hebt of je schuldig voelt zodra je niet voor iedereen klaarstaat, kan het zinvol zijn om te onderzoeken waar die verantwoordelijkheid ooit begonnen is.
Binnen een religieuze context kan dat nog extra bekrachtigd worden wanneer zorgen voor anderen, dienen, jezelf opofferen en de ander boven jezelf stellen sterk worden benadrukt. Dan kan iets wat oorspronkelijk uit een onveilige gezinsdynamiek is ontstaan zelfs een morele of geestelijke betekenis krijgen.
En probeer daar later maar eens eenvoudig “nee” tegen te zeggen.
Wat gebeurt er wanneer iemand buiten het systeem valt?
Ook uitsluiting kan binnen families veel invloed hebben. Soms is er een familielid over wie nauwelijks wordt gesproken, iemand die “verkeerde keuzes” maakte, niet meer welkom was, een ander geloof koos, scheidde, psychische problemen had of op een andere manier buiten de normen van de familie viel.
Kinderen hoeven niet eens precies te weten wat er gebeurd is om iets mee te krijgen van de boodschap: Er zijn dingen waardoor je buiten de groep kunt komen te staan.
Wanneer je zelf later andere keuzes maakt, kan dat oude gegeven ineens relevant worden. Je rationele volwassen deel kan zeggen dat je vrij bent om te kiezen, terwijl ergens anders de vraag ontstaat: Wat gebeurt er met mij als ik te ver afwijk?
Bij religieus trauma kan dat heel concreet worden wanneer iemand ziet hoe er binnen een familie of geloofsgemeenschap over kerkverlaters, ongelovigen, scheiding of andere levens- en geloofskeuzes wordt gesproken. Je leert niet alleen welke keuzes als verkeerd worden beschouwd, je leert tegelijkertijd iets over wat er met je positie binnen de groep kan gebeuren wanneer jij ooit zo'n keuze maakt.
Dat raakt rechtstreeks aan hechting en veiligheid.
En dan zijn er nog de verhalen waarover nooit gesproken werd.
Niet alles wat binnen families doorwerkt, wordt openlijk besproken. Soms zijn er verliezen, conflicten, oorlogservaringen, geweld, misbruik, kinderen die overleden zijn, verbroken relaties of gebeurtenissen waar jarenlang over gezwegen is.
We hoeven niet te bewijzen dat een angst letterlijk van een grootouder afkomstig is om serieus te nemen dat familiegeschiedenis invloed kan hebben. Patronen worden ook heel concreet doorgegeven via opvoeding, gedrag, verhalen, stiltes, verwachtingen, relaties en de manier waarop ouders zelf hebben geleerd met emoties en veiligheid om te gaan.
Een ouder die zelf nooit heeft geleerd over verdriet te praten, kan dat moeilijk doorgeven aan een kind. Iemand die heeft geleerd altijd sterk te zijn, kan onbedoeld dezelfde verwachting bij de volgende generatie neerleggen. Een familie waarin jarenlang gevaar of armoede aanwezig was, kan controle en voorzichtigheid als vanzelfsprekende waarden blijven doorgeven, ook wanneer de omstandigheden inmiddels totaal anders zijn.
Systemisch kijken betekent voor mij daarom niet dat we overal een mystieke verklaring voor moeten zoeken. Het betekent vooral dat we onszelf niet los zien van de context waaruit we zijn voortgekomen.
Familieopstellingen: Niet als bewijs, maar als manier van onderzoeken
Binnen systemisch werk worden onder andere familieopstellingen gebruikt. Daar bestaan allerlei ideeën en interpretaties over, en juist omdat deze blogserie later ook richting onderwerpen gaat die binnen sommige christelijke kringen snel als spiritueel of occult worden bestempeld, wil ik hier duidelijk onderscheid in maken.
Een opstelling kan juist een manier zijn om relaties, posities en patronen zichtbaar te maken die in woorden soms moeilijk te pakken zijn. Wie stond er altijd centraal, wie droeg veel verantwoordelijkheid, wie hoorde er nauwelijks bij, wie zorgde voor wie, waar stond jij zelf en wat gebeurt er wanneer je een andere positie inneemt?
Soms zie je daardoor ineens iets wat je verstand allang wist, maar wat je nog nooit op die manier had gevoeld of bekeken. Dat vind ik juist de kracht van systemisch werk: Niet dat één methode ons dé waarheid vertelt, maar dat er een andere ingang ontstaat om naar dezelfde geschiedenis te kijken.
En zelfs wanneer je als christen weerstand voelt bij het woord systemisch werk of familieopstellingen, vind ik het interessant om ook eens naar de Bijbel zelf te kijken. Daar komt namelijk meerdere keren het beeld voor dat de gevolgen van wat in de ene generatie gebeurt niet noodzakelijk bij die ene generatie ophouden. In Exodus 20:5, Exodus 34:7, Numeri 14:18 en Deuteronomium 5:9 lezen we over de gevolgen van de ongerechtigheid van ouders die doorwerken tot in het derde en vierde geslacht.
Lange tijd hoorde ik zulke teksten vooral vanuit een religieuze uitleg over zonde en straf, maar inmiddels lees ik ze (ook) met andere ogen.
Niet in de zin dat een kind automatisch persoonlijk schuldig zou zijn aan wat een ouder of grootouder heeft gedaan. De Bijbel bevat juist ook teksten waarin persoonlijke verantwoordelijkheid nadrukkelijk wordt benoemd. In Deuteronomium 24:16 wordt bijvoorbeeld gezegd dat kinderen niet ter dood gebracht mogen worden vanwege hun ouders, en in Ezechiël 18 wordt uitvoerig benadrukt dat een kind niet automatisch de schuld van zijn vader draagt.
Voor mij zit de interessante vraag daarom niet zozeer in erfelijke schuld, maar in doorwerking.
Wat gebeurt er wanneer geweld, angst, schaamte, verslaving, verlies, zwijgen, een streng godsbeeld of onveilige hechting binnen een gezin niet werkelijk wordt doorbroken? Dan groeien kinderen op binnen de gevolgen daarvan, nemen zij manieren van omgaan met emoties, relaties en gevaar mee en kunnen die patronen vervolgens opnieuw invloed hebben op hun eigen kinderen.
Wanneer ik die Bijbelse woorden nu lees vanuit wat we inmiddels weten over hechting, trauma, opvoeding en het zenuwstelsel, krijgen ze voor mij daarom een andere betekenis. Een vader die zijn boosheid nooit heeft leren reguleren, kan een kind grootbrengen dat voortdurend alert is. Dat kind kan later zelf conflicten vermijden of juist snel boos worden en daarmee opnieuw invloed hebben op een volgende generatie. Een moeder die geleerd heeft zichzelf volledig weg te cijferen, kan dat bewust of onbewust voorleven aan haar dochter. Een familie waarin over misbruik, verlies of psychische problemen niet gesproken mag worden, kan generaties later nog steeds patronen van schaamte, stilzwijgen of aanpassen laten zien.
Daar is niets bovennatuurlijks voor nodig om te begrijpen dat wat in één generatie gebeurt verder kan reiken dan één mensenleven.
Wat betekent “tot in het derde en vierde geslacht” dan voor mij?
Juist door mijn eigen zoektocht naar religieus trauma, onveilige hechting en systemisch werk ben ik die woorden anders gaan bekijken. Waar ik vroeger vooral een dreigende boodschap kon horen, namelijk dat God de zonden van ouders nog generaties later zou vergelden, zie ik nu ook iets anders: De realiteit dat wat één generatie niet verwerkt, begrenst of verandert gevolgen kan hebben voor de generaties daarna.
Niet als een magische wet en ook niet alsof iedere angst, ziekte of gebeurtenis verklaard kan worden vanuit voorouders, maar heel concreet via hoe mensen opvoeden, reageren, zwijgen, liefhebben, grenzen stellen en omgaan met stress en veiligheid.
Wanneer een ouder vanuit angst leeft, groeit een kind op in de nabijheid van die angst. Wanneer een ouder nooit heeft geleerd emoties te reguleren, moet een kind zich daartoe verhouden. Wanneer schaamte en geheimhouding generaties lang onderdeel zijn van een familie, komt een volgend kind terecht in een systeem waarin die patronen al bestonden voordat het geboren werd.
En religie kan daar onderdeel van zijn. Wanneer een bepaald godsbeeld, angst voor de hel, gehoorzaamheid of het idee dat je familie niet tegenspreekt van generatie op generatie wordt doorgegeven, ontvangen kinderen niet alleen een geloofsovertuiging. Ze groeien ook op binnen de emoties, omgangsvormen en relationele patronen die daarmee verbonden zijn. Wanneer daar bovendien onveilige hechting bij aanwezig is, kunnen religieuze en familiaire patronen elkaar versterken.
Daarom lees ik die woorden over het derde en vierde geslacht tegenwoordig niet vanuit zonde en straf, maar juist ook vanuit de vraag: Wat geven wij eigenlijk door wanneer wij onze eigen pijn, angst en patronen niet aankijken?
En daarin zie ik tegelijkertijd iets hoopvols. Want wanneer patronen door relaties en opvoeding kunnen worden doorgegeven, kunnen ze ook bewust worden gemaakt en veranderd. Misschien ben jij wel degene die voor het eerst zegt: Dit heb ik meegekregen, maar dit hoeft niet op dezelfde manier verder te gaan.
Je kunt iets teruggeven zonder iemand af te wijzen.
Een belangrijk onderdeel van systemisch herstel kan zijn dat je leert onderscheiden wat van jou is en wat niet.
Je kunt van je ouders houden zonder hun overtuigingen over te nemen. Je kunt erkennen dat zij vanuit hun eigen geschiedenis hebben gedaan wat zij konden en tegelijkertijd benoemen waar jij iets anders nodig had. Je kunt respect hebben voor het geloof van je familie zonder jezelf te verplichten hetzelfde te geloven. Je kunt zien hoeveel je moeder gedragen heeft zonder haar pijn voor haar te hoeven dragen, en je kunt erkennen wat je vader heeft meegemaakt zonder zijn gedrag daarmee automatisch goed te praten.
Dat onderscheid vind ik belangrijk.
Loskomen betekent niet dat je alles en iedereen moet afwijzen. Soms betekent het juist dat je eindelijk niet meer alles met elkaar hoeft te verwarren.
Dit is van jou, dit is van mij.
Dit is wat er gebeurd is, dit is wat ik ermee heb gedaan en vanaf hier wil ik het anders doen.
Wat als schuldgevoel eigenlijk betekent dat je iets nieuws doet?
Wanneer je binnen een systeem een andere beweging maakt, voelt dat niet altijd onmiddellijk bevrijdend. Soms voelt het eerst juist verkeerd.
Dat vind ik misschien wel één van de belangrijkste inzichten.
Wanneer jij altijd degene bent geweest die voor iedereen klaarstaat en ineens een grens stelt, kan schuldgevoel opkomen. Wanneer jouw familie generaties lang een bepaalde geloofsovertuiging heeft gevolgd en jij die gaat onderzoeken, kan dat ongemakkelijk voelen. Wanneer je hebt geleerd conflicten te vermijden en voor het eerst zegt wat je werkelijk vindt, kan je hele lichaam protesteren.
Dat ongemak betekent niet automatisch dat je een verkeerde keuze maakt.
Soms betekent het dat je iets doet wat binnen jouw systeem nieuw is.
Je zenuwstelsel kent het oude patroon, je familie kent misschien het oude patroon en iedereen weet bewust of onbewust welke rol jij normaal gesproken speelt. Wanneer jij die verandert, verandert er ook iets in de onderlinge verhoudingen. Dat kan spannend zijn.
Bewustwording betekent niet dat oude patronen nooit meer geraakt worden
Ook hier kom ik uiteindelijk weer terug bij iets wat door deze hele blogserie heen loopt: Herstel betekent voor mij niet dat je nooit meer getriggerd wordt, nooit meer schuld voelt of nooit meer in een oud patroon terechtkomt.
Het verschil zit steeds vaker in herkennen wat er gebeurt.
- Is dit werkelijk wat ik nu wil, of vervul ik automatisch mijn oude rol?
- Voel ik mij verantwoordelijk omdat dit daadwerkelijk mijn verantwoordelijkheid is, of omdat ik gewend ben verantwoordelijkheid te dragen?
- Wil ik dit vanuit liefde doen, of ben ik bang voor wat er gebeurt wanneer ik nee zeg?
- Geloof ik dit werkelijk zelf, of voelt het gevaarlijk om iets anders te geloven dan mijn familie?
- Ben ik werkelijk schuldig, of voelt het alleen zo omdat ik iets nieuws doe?
Dat zijn voor mij systemische vragen. Niet om overal een ingewikkelde verklaring achter te zoeken, maar juist om meer keuzevrijheid te krijgen.
Van aanpassen naar je eigen plek innemen
Misschien is dat uiteindelijk waar systemisch werk voor mij over gaat: Je eigen plek opnieuw innemen.
Niet boven je ouders gaan staan en ook niet klein blijven onder hun overtuigingen, maar erkennen dat zij hun geschiedenis hebben en jij de jouwe. Niet de last van generaties ontkennen, maar ook niet automatisch aannemen dat jij alles moet oplossen wat vóór jou is gebeurd.
Je mag voortbouwen op wat voor jou wél helpend was en loslaten wat je niet langer dient, maar je hoeft niets uit je geloofsopvoeding mooier te maken dan het voor jou was. Misschien kun je bepaalde delen waarderen, misschien ook helemaal niet, en beide zijn legitiem. Je mag je familie liefhebben en anders denken, je mag erkennen waarom iemand deed wat hij deed zonder dat gedrag daarmee goed te praten, en je mag afstand nemen van wat jou beschadigd heeft zonder jezelf daarvoor schuldig te hoeven voelen. Verbinding hoeft niet te betekenen dat je jezelf opnieuw verlaat.
Herstel vraagt niet dat je dankbaar wordt voor wat je hebt meegemaakt. Soms is herstel juist dat je eindelijk mag erkennen dat iets schadelijk was, zonder er meteen een les, zegen of positieve betekenis van te hoeven maken.
Misschien is dat uiteindelijk ook een vorm van volwassen worden: Niet langer automatisch leven vanuit de plek die je ooit nodig had om erbij te horen, maar steeds bewuster ontdekken welke plek werkelijk van jou is.
Waarom deze systemische laag vóór het spirituele deel komt
Ik vind het belangrijk om deze laag in deze serie te bespreken voordat ik verderga met onderwerpen als energie, handoplegging, visioenen, edelstenen, getallen en andere thema's die binnen sommige christelijke kringen gemakkelijk als spiritueel of occult worden bestempeld.
Want voordat we ons afvragen wat we daarvan geloven, is er nog een andere vraag belangrijk: Vanuit welke overtuigingen, loyaliteiten en oude angsten kijken we eigenlijk naar die onderwerpen?
Wanneer je bent opgegroeid met het idee dat bepaalde dingen gevaarlijk zijn, kan dat religieuze angst zijn. Wanneer je familie daar generaties lang hetzelfde over heeft gedacht, kan daar ook een diepe loyaliteit aan verbonden zijn. Wanneer afwijken vroeger gevolgen had voor verbinding en veiligheid, kan je zenuwstelsel reageren voordat je überhaupt zelf hebt onderzocht wat je ervan vindt.
Daarom wilde ik eerst deze tussenlaag zichtbaar maken. Niet om te zeggen dat systemisch werk overal het antwoord op is, maar omdat we soms pas werkelijk vrij kunnen onderzoeken wanneer we leren onderscheiden welke stem van onszelf is, welke stem uit onze opvoeding komt en welke regels zo lang onderdeel zijn geweest van ons familiesysteem dat we nauwelijks meer merken dat we ze volgen.
Herken je jezelf hierin?
Misschien heb je al veel therapie gehad, begrijp je je hechtingspatronen en heb je religieuze overtuigingen opnieuw onderzocht, maar merk je toch dat bepaalde thema's blijven terugkomen. Misschien voel je je snel verantwoordelijk voor anderen, vind je grenzen stellen moeilijk, voel je schuld wanneer je voor jezelf kiest of merk je dat anders denken dan je familie veel meer spanning oproept dan je rationeel kunt verklaren.
Dan kan het interessant zijn om niet alleen naar jezelf als individu te kijken, maar ook naar het systeem waarin jouw patronen ooit betekenis kregen.
Binnen Praktijk Innersense werk ik daarom niet alleen met wat iemand denkt of bewust begrijpt, maar ook met systemische patronen, familieopstellingen, het lichaam en het zenuwstelsel. Niet om één verklaring over iemand heen te leggen en ook niet om alles aan vorige generaties toe te schrijven, maar om samen te onderzoeken wat werkelijk van jou is, wat ooit nodig was om je plek te behouden en wat je vandaag misschien niet langer hoeft mee te dragen.
Want soms weet je inmiddels precies waar je trauma vandaan komt, maar begint er daarna nog een andere vraag: Welke plek heb ik jarenlang ingenomen om erbij te kunnen horen, en wie word ik wanneer ik die plek niet meer hoef vast te houden?
Deel 8: Deel 8 Energie in de Bijbel: Spiritueel gedoe of hebben we te snel geoordeeld?
Auteur Praktijk Innersense