Je kunt de kerk verlaten, maar daarmee heeft de kerk jouw zenuwstelsel nog niet verlaten.
Er wordt soms vrij eenvoudig gesproken over kerkverlating, alsof je op een dag besluit dat je niet meer gelooft, de deur van de kerk achter je dichttrekt en vervolgens verdergaat met je leven. Voor sommige mensen zal dat misschien zo voelen, maar vanuit mijn eigen ervaring en wanneer ik verhalen lees van mensen die hun geloof onderzoeken, het christendom hebben verlaten of na jaren nog worstelen met wat zij vroeger geleerd hebben, zie ik iets veel complexers. Ik zie mensen die rationeel allang niet meer geloven in een hel, maar op kwetsbare momenten toch weer bang worden, mensen die niet meer geloven dat bepaalde muziek, edelstenen, affirmatiekaarten of andere zaken demonisch zijn, maar bij alleen al het onderwerp nog spanning kunnen voelen, en mensen die een liefdevolle relatie hebben gevonden en eigenlijk alleen maar hopen dat hun ouders vragen of ze gelukkig zijn, maar in plaats daarvan opnieuw geconfronteerd worden met wat God ervan zou vinden en welke gevolgen hun keuzes zouden hebben voor hun eeuwige bestemming.
Ik zie ook mensen die God helemaal niet volledig hebben losgelaten, maar wel het beeld van God waarmee zij zijn opgegroeid. Mensen die nog steeds verlangen naar iets wat groter is dan zijzelf, naar verbinding, gebed of een gevoel van gedragen worden, maar niet meer terug kunnen naar het godsbeeld waarin angst, oordeel en gehoorzaamheid zo sterk met elkaar verweven waren. Misschien is dat wel een belangrijk onderscheid, want kerkverlating betekent niet automatisch geloofsverlies, en geloofsverlies betekent ook niet automatisch dat alles wat je vroeger geleerd hebt uit je systeem verdwenen is.
Misschien wil je God niet kwijt, maar kun je niet meer terug naar het oude godsbeeld.
Wat gebeurt er wanneer je jarenlang hebt geleerd dat God alles ziet, alles weet, je gedachten kent en uiteindelijk bepaalt waar je de eeuwigheid doorbrengt, terwijl je daarnaast hebt geleerd dat sommige gedachten gevaarlijk zijn, bepaalde gevoelens zondig kunnen zijn, seksualiteit binnen strakke grenzen moet blijven, twijfel een risico vormt en gehoorzaamheid soms belangrijker wordt gemaakt dan wat jij zelf voelt?
Dan verdwijnt dat niet automatisch wanneer je later zegt dat je dit niet meer gelooft. Je verstand kan iets loslaten, terwijl je lichaam en zenuwstelsel nog reageren op wat jarenlang gekoppeld is geweest aan gevaar, schuld, afwijzing of straf. Ergens niet meer in geloven en je er ook werkelijk veilig bij voelen, zijn twee verschillende dingen.
Je kunt rationeel weten dat er niets gebeurt wanneer je op zondag niet naar de kerk gaat en toch een onrustig gevoel krijgen. Je kunt verstandelijk hebben losgelaten dat meditatie, een affirmatie kaartlegging, energetisch werk of wereldse muziek je automatisch in contact brengt met iets duisters, terwijl je lichaam toch aanspant zodra iemand het woord occult gebruikt. Je kunt volwassen zijn, zelfstandig denken en heel goed weten welke keuzes je wilt maken, maar toch weer dat kind in jezelf voelen dat ooit geleerd heeft dat anderen misschien beter wisten wat God van jou verlangde.
Wanneer geloof en angst met elkaar verweven raken.
Dat betekent niet dat geloof op zichzelf traumatisch is. Voor veel mensen geeft geloof juist troost, bedding, gemeenschap, houvast en betekenis, en er zijn genoeg kerken waar vragen welkom zijn, twijfel geen bedreiging vormt en mensen worden aangemoedigd zelf te onderzoeken wat zij geloven. Het wordt anders wanneer geloof en angst steeds meer met elkaar verweven raken, wanneer onder een boodschap van liefde tegelijkertijd een waarschuwing ligt: God houdt van je, maar je moet wel geloven, je moet wel gehoorzamen, je moet wel op de juiste manier leven, je moet oppassen dat je niet afdwaalt en je moet vooral bedenken wat er gebeurt wanneer je God afwijst.
Voor een volwassen mens kun je daar theologisch allerlei gesprekken over voeren, maar een kind verwerkt zulke boodschappen niet alleen als theologie. Een kind leert ondertussen ook wat veilig en onveilig is, wanneer verbinding behouden blijft, wanneer afwijzing dreigt en wat er gebeurt wanneer je buiten de regels treedt. Wanneer een kind hoort dat God alles ziet, dat verkeerde gedachten ertoe doen, dat bepaalde gevoelens of verlangens zondig zijn en dat ongeloof zelfs gevolgen kan hebben voor de eeuwigheid, kan dat veel dieper binnenkomen dan alleen als geloofsleer.
Dan kunnen overtuigingen ontstaan als: Als ik verkeerd kies, kan ik God verliezen, als ik twijfel, is er misschien iets mis met mij, als ik iets voel wat niet mag, moet ik dat onderdrukken, als iemand geestelijk boven mij staat, zal diegene waarschijnlijk beter weten wat goed voor mij is. Wanneer zulke boodschappen jarenlang worden herhaald, kunnen ze onderdeel worden van hoe je jezelf, andere mensen en de wereld ervaart.
Je hoofd heeft de kerk verlaten, maar je zenuwstelsel misschien nog niet.
Juist daar zie ik een belangrijke relatie met het zenuwstelsel. Ons zenuwstelsel leert voortdurend van ervaringen en probeert ons te beschermen door situaties, woorden en signalen te herkennen die eerder met gevaar of spanning verbonden waren. Wanneer bepaalde onderwerpen jarenlang gekoppeld zijn geweest aan schuld, straf, afwijzing of de dreiging dat je iets verkeerd doet, kan je lichaam daar later automatisch op reageren, zelfs wanneer je rationeel allang anders denkt.
Een preek over de hel, iemand die zegt dat je “van God los” bent, een opmerking dat iets occult of demonisch zou zijn, het aangeven van een grens, seksualiteit, een keuze maken die vroeger niet toegestaan was of zelfs alleen al het gevoel hebben dat je iets “verkeerds” denkt, kan dan opnieuw spanning oproepen. Je ademhaling kan veranderen, je spieren kunnen zich aanspannen, je kunt alert worden, jezelf willen aanpassen, bevriezen, weg willen uit de situatie of onmiddellijk weer gaan twijfelen aan jezelf.
Dat betekent niet automatisch dat die oude overtuiging dus toch waar is. Het kan ook betekenen dat je zenuwstelsel iets herkent wat vroeger met onveiligheid verbonden was en daar razendsnel op reageert.
Daarom is de opmerking “maar je gelooft er toch niet meer in?” vaak veel te simpel. Het hoofd kan al lang een andere conclusie hebben getrokken, terwijl het zenuwstelsel nog reageert vanuit oude leerervaringen. Dat zien we ook buiten religie: Iemand kan rationeel weten dat een situatie veilig is en toch spanning voelen, je kunt begrijpen dat een gevaar voorbij is en toch merken dat je lichaam zich alweer voorbereidt op wat er mogelijk gaat gebeuren.
Religieus trauma gaat daarom niet alleen over wat je gelooft.
Wanneer we religieus trauma alleen benaderen vanuit overtuigingen, missen we naar mijn idee een belangrijk deel. Natuurlijk is het belangrijk om te onderzoeken wat je vroeger geleerd hebt, welke Bijbelteksten daarbij gebruikt werden, welke boodschappen je meekreeg en wat je daar tegenwoordig zelf van vindt, maar soms weet iemand verstandelijk allang dat hij of zij vrij is, terwijl het lichaam daar nog niet volledig op vertrouwt.
Dan komt er een andere vraag bij: Kan mijn zenuwstelsel opnieuw leren dat het nu veilig is om mezelf te zijn?
Kan ik een grens aangeven zonder onmiddellijk bang te worden voor afwijzing, kan ik ergens anders over denken zonder mezelf te moeten verdedigen, kan ik voelen wat ík nodig heb zonder mezelf egoïstisch te vinden, kan ik een andere keuze maken zonder direct dat oude schuldgevoel te krijgen en kan ik leren herkennen wanneer mijn lichaam reageert op wat er nu werkelijk gebeurt of op iets wat het uit het verleden kent?
Daarom raakt religieus trauma voor mij ook zo duidelijk aan lichaamsgericht werken. Niet omdat alles opgelost zou kunnen worden door alleen op het lichaam te werken, maar omdat herstel soms meer vraagt dan een nieuw inzicht. Je kunt precies begrijpen waar een overtuiging vandaan komt en toch merken dat je systeem erop blijft reageren. Dan kan het helpen om signalen eerder te leren herkennen, spanning te leren reguleren, opnieuw veiligheid te ervaren in je lichaam en langzaam meer ruimte te krijgen tussen een trigger en de automatische reactie die daarop volgt.
Kun je jezelf nog vertrouwen?
Onder religieus trauma zit vaak nog een andere laag, namelijk het vertrouwen in je eigen waarneming. Wanneer je jarenlang hebt geleerd dat anderen beter konden weten wat God wilde, kan je eigen gevoel steeds minder betrouwbaar gaan lijken. Wat ik voel hoeft blijkbaar niet doorslaggevend te zijn, mijn grens kan egoïstisch zijn, twijfel kan verkeerd zijn en wanneer iemand zich beroept op God of de Bijbel kan diens mening meer gewicht krijgen dan mijn eigen ervaring.
Dan gaat herstel niet alleen over een ander godsbeeld ontwikkelen, maar ook over opnieuw ontdekken wat van jou is. Kan ik mijn eigen grens herkennen, durf ik nee te zeggen zonder mezelf meteen schuldig te voelen, mag ik ergens anders over denken zonder mezelf onmiddellijk te corrigeren, mag ik boos zijn, mag ik verdrietig zijn en kan ik uiteindelijk weer vertrouwen op mijn eigen geweten, mijn eigen waarneming en mijn eigen lichaam?
Dat zijn misschien geen vragen die je direct met religie associeert, maar ik zie ze steeds opnieuw terugkomen bij mensen die uit een streng religieus systeem komen. Wanneer gehoorzaamheid, zelfopoffering en aanpassen jarenlang als deugd werden gezien, kan het behoorlijk zoeken zijn om later te ontdekken waar rekening houden met een ander ophoudt en jezelf verlaten begint.
Wat als je niet je geloof verliest, maar de angst?
Misschien is dat ook waarom de term geloofsverlies niet altijd klopt. Sommige mensen raken hun geloof daadwerkelijk kwijt en ervaren daar uiteindelijk vrijheid in, anderen ontdekken na een lange periode van deconstructie dat zij nog steeds geloven dat er iets is wat zij God noemen, maar dat hun beeld van God totaal veranderd is.
Niet langer de God die voortdurend controleert, niet langer de God die bij iedere verkeerde stap met eeuwige straf dreigt en niet langer een God die alleen toegankelijk is via mensen die zeggen precies te weten wat Hij bedoelt. Voor de een blijft God een persoonlijke aanwezigheid, voor een ander wordt het woord liefde, bewustzijn, Bron of verbondenheid, iemand anders blijft zoeken en weer iemand anders wil helemaal niets meer met het begrip God te maken hebben.
Ik denk inmiddels dat geen van die uitkomsten afgedwongen hoeft te worden. Misschien begint vrijheid juist daar waar je niet meer hoeft te geloven omdat je bang bent voor wat er gebeurt wanneer je het niet doet, maar jezelf de ruimte geeft om opnieuw te onderzoeken wat geloof voor jou betekent, als het überhaupt nog iets betekent.
En dan blijven er ineens heel veel vragen over.
Wanneer angst niet langer automatisch het antwoord bepaalt, blijven er ineens ontzettend veel vragen over. Waarom bestaat er zoveel lijden als God almachtig en liefdevol is, waarom lijken sommige gebeden verhoord te worden en andere niet, wanneer iets goeds gebeurt nadat ik heb gebeden, was dat dan God of zou het sowieso zijn gebeurd, en waarom zou God ingrijpen bij een relatief klein persoonlijk probleem, terwijl ergens anders mensen onder verschrikkelijke omstandigheden leven?
Ook andere vragen kunnen ineens veel groter worden. Waarom bestaan er zoveel verschillende christelijke stromingen die allemaal dezelfde Bijbel lezen en toch tot totaal verschillende conclusies komen, waarom werd mij geleerd dat bepaalde dingen occult waren terwijl andere christelijke tradities daar heel anders naar kijken, waarom mocht ik bepaalde vragen vroeger niet stellen en hoeveel van wat ik als absolute waarheid heb meegekregen was eigenlijk interpretatie, traditie of de overtuiging van de kerk waarin ik toevallig ben opgegroeid?
En misschien wel de moeilijkste vraag van allemaal: Wat geloof ík eigenlijk wanneer niemand mij vertelt wat ik moet geloven?
Misschien hoef je niet meteen een nieuw antwoord te hebben.
Na een streng religieus kader kunnen we bijna automatisch weer op zoek gaan naar het volgende systeem dat alle antwoorden geeft, terwijl misschien juist het tegenovergestelde nodig is. Misschien mag je een tijd niet weten, misschien mag God een vraagteken zijn en misschien mag je oude overtuigingen onderzoeken zonder onmiddellijk nieuwe overtuigingen te hoeven aannemen.
Je mag ontdekken dat boosheid over wat jou is geleerd niet betekent dat je verbitterd bent, dat verdriet om wat je hebt verloren niet betekent dat je terug wilt en dat verlangen naar de veiligheid die bidden vroeger gaf niet automatisch betekent dat je weer hetzelfde moet gaan geloven. Je kunt dankbaar zijn voor mooie dingen uit je geloofsverleden en tegelijkertijd erkennen dat andere delen angst, schuld of spanning hebben veroorzaakt, die twee hoeven elkaar niet uit te sluiten.
Soms zit de grootste verandering misschien niet eens in het vinden van een nieuw antwoord, maar in het feit dat je jezelf eindelijk toestemming geeft de vraag te stellen.
Van overleven naar opnieuw leren vertrouwen.
Voor mij gaat religieus trauma daarom uiteindelijk niet alleen over de kerk verlaten, maar ook over jezelf terugvinden onder alle overtuigingen, verwachtingen, schuld, angst en interpretaties die ooit over je heen zijn gelegd. Het gaat over opnieuw leren luisteren naar je lichaam en je zenuwstelsel, over herkennen wanneer je automatisch in aanpassen, pleasen, bevriezen of alertheid schiet, over grenzen leren voelen voordat je er al overheen bent gegaan en over ervaren dat je niet langer jezelf hoeft te verlaten om erbij te mogen horen.
Dat proces gaat niet van vandaag op morgen. Een zenuwstelsel dat jarenlang bepaalde signalen met onveiligheid heeft verbonden, hoeft niet ineens van de ene op de andere dag volledig ontspannen te reageren omdat je verstand inmiddels iets anders weet. Juist daar kan zachtheid belangrijk zijn, niet door alles wat je voelt meteen te willen oplossen, maar door nieuwsgierig te worden naar wat je lichaam probeert te vertellen en stap voor stap nieuwe ervaringen van veiligheid op te bouwen.
Je kunt de kerk verlaten, maar daarmee heeft de kerk jouw zenuwstelsel nog niet verlaten. Soms begint het echte proces pas daarna, wanneer je hoofd allang weet dat je vrij bent, maar je lichaam en zenuwstelsel langzaam nog moeten leren dat die vrijheid ook veilig is.
In het volgende deel: Wat het lichaam onthoudt wanneer je hoofd al verder is.
Maar hoe kan het eigenlijk dat je verstand allang weet dat een oude overtuiging niet meer bij je past, terwijl je lichaam en zenuwstelsel toch blijven reageren? In het volgende deel ga ik daar veel dieper op in. Daar kijk ik naar wat we weten over trauma, lichamelijke reacties, het zenuwstelsel en de manier waarop ervaringen kunnen blijven doorwerken, met onder andere het werk van Gabor Maté, Bessel van der Kolk en Peter Levine. Deel 4 Wat het lichaam onthoudt wanneer je hoofd al verder is.
Herken je jezelf hierin?
Misschien ben je de kerk verlaten, misschien geloof je nog steeds, misschien is je godsbeeld volledig veranderd of misschien weet je op dit moment helemaal niet meer wat je gelooft. Ook dat mag er zijn.
Binnen Praktijk Innersense begeleid ik mensen onder andere bij oude overtuigingen, grenzen, spanning in het lichaam en patronen die ooit hielpen om je staande te houden, maar je nu misschien juist beperken.
Daarbij kijken we niet alleen naar wat je denkt, maar ook naar wat je lichaam en zenuwstelsel hebben geleerd, zodat er stap voor stap meer ruimte kan ontstaan voor rust, veiligheid en opnieuw leren vertrouwen op jezelf.
Auteur:
Praktijk Innersense
Anne Marie Appeldoorn