Wat het lichaam onthoudt, wanneer je hoofd al verder is. Deel 4
Over Gabor Maté, Bessel van der Kolk, Wilhelm Reich, Alexander Lowen, Peter Levine, religieuze angst en waarom zenuwstelselregulatie voor mij een ontbrekende schakel werd
In het vorige deel schreef ik over hoe mijn geloofskader al vrij vroeg begon te schuiven. Ik stelde vragen bij de kerk waarin ik was opgegroeid, kwam via mijn huwelijk in aanraking met de Koptisch-Orthodoxe Kerk, onderzocht later ook andere protestantse en gereformeerde stromingen, evangelische gemeenten, katholieke tradities en een nieuwtestamentisch-joodse gemeenschap. Mijn hoofd maakte in die jaren een behoorlijke ontwikkeling door, ik begon onderscheid te maken tussen wat er daadwerkelijk in de Bijbel staat, wat historische context is en wat een kerkelijke interpretatie is die soms generaties lang als absolute waarheid wordt doorgegeven.
Die zoektocht naar geloof kwam dus vóór mijn verdieping in trauma, psyche en lichaamsgericht werken. Dat vind ik belangrijk om te benoemen, want ik had veel overtuigingen rationeel al onderzocht voordat ik begon te begrijpen waarom mijn lichaam soms nog reageerde alsof ik die oude overtuigingen wél geloofde. Ik kon met mijn hoofd weten dat een dominee mijn toekomst niet kon bepalen door mij te vervloeken, ik kon begrijpen dat het overlijden van drie jongens die eveneens de kerk hadden verlaten geen bewijs was van die vervloeking en ik kon inmiddels zonder angst verschillende christelijke stromingen onderzoeken, toch betekende dat niet automatisch dat alle oude spanning verdwenen was.
Mijn hoofd kon zeggen: Dit weet ik inmiddels anders, terwijl ergens in mijn lichaam nog heel snel het oude pas op kon worden aangeraakt. Pas veel later begon ik te begrijpen dat veranderen van overtuiging en het opnieuw leren ervaren van veiligheid niet precies hetzelfde proces zijn.
Gabor Maté: Wanneer aanpassen zo normaal wordt dat je het niet meer ziet
Gabor Maté was een van de mensen die mij hielpen daar andere woorden voor te vinden. Zijn achtergrond vind ik daarbij minstens zo interessant als zijn boeken. Maté werd in 1944 als Joods kind in Boedapest geboren, twee maanden voordat nazi-Duitsland Hongarije bezette. Zijn grootouders en tante werden naar Auschwitz gedeporteerd en toen hij elf maanden oud was, gaf zijn moeder hem tijdelijk mee aan een christelijke vrouw om zijn leven te beschermen; zes weken lang zag hij zijn moeder niet. Maté verbindt die vroege ervaringen zelf aan zijn latere belangstelling voor hechting, verlies en trauma.
Later werd hij arts in Canada, werkte hij ongeveer twintig jaar als huisarts en in de palliatieve zorg en daarna jarenlang met mensen met ernstige verslavingsproblematiek, psychische problemen en hiv in Vancouver. Zijn werk concentreerde zich steeds meer op de samenhang tussen ontwikkeling, stress, verslaving, lichamelijke gezondheid en de omgeving waarin een mens leeft.
In Wanneer je lichaam nee zegt onderzoekt Maté verborgen en langdurige stress en de mogelijke relatie daarvan met lichamelijke gezondheid. De Nederlandse ondertitel is niet voor niets Verborgen stress en de gevolgen voor je gezondheid. Wat mij in dat boek raakt, is niet het idee dat we ieder lichamelijk probleem kunnen terugvoeren op trauma of emoties, want dat zou veel te simpel zijn. Ziekte kan samenhangen met genetica, infecties, lichamelijke processen, leefomgeving, sociale omstandigheden en nog veel meer, en ik vind het juist gevaarlijk wanneer mensen na een ziekte ook nog het gevoel krijgen dat zij die zelf veroorzaakt zouden hebben doordat ze hun emoties niet goed genoeg hebben verwerkt.
Wat ik uit Maté vooral meeneem, is een andere vraag: Wat gebeurt er wanneer je jarenlang heel goed wordt in het negeren van jezelf? Wanneer je altijd sterk moet zijn, geen conflict wilt veroorzaken, verantwoordelijkheid draagt voor de gevoelens van anderen, nauwelijks nee zegt, boosheid inhoudt en doorgaat terwijl er in jou allang signalen zijn dat iets te veel is, kan aanpassen uiteindelijk zo vertrouwd worden dat je het zelf niet meer als aanpassen herkent.
In De mythe van normaal, dat hij samen met zijn zoon Daniel Maté schreef, trekt hij die vraag nog veel breder en kijkt hij naar een samenleving waarin voortdurende druk, presteren en het negeren van menselijke behoeften zo gewoon zijn geworden dat we ze ‘normaal’ zijn gaan noemen. Dr. Gabor Maté Voor mij ontstond daar vanzelf de verbinding met religie, want ook binnen geloof kun je patronen aanleren die van buitenaf mooi of deugdzaam lijken, maar die van binnen iets anders kunnen betekenen. Gehoorzamen, jezelf verloochenen, vergeven, niet boos zijn, de minste willen zijn en Gods wil accepteren kunnen waardevolle religieuze begrippen zijn, maar wanneer een kind tegelijkertijd leert dat zijn eigen gevoel gevaarlijk, zondig of onbetrouwbaar is, kan de uitwerking heel anders worden.
Bessel van der Kolk: Traumasporen en een lichaam dat op het verleden kan reageren
Daarna kwam Bessel van der Kolk voor mij heel logisch in beeld, juist omdat zijn werk veel nadrukkelijker naar trauma, lichaam, brein en regulatie kijkt. Van der Kolk werd in 1943 geboren in Den Haag en groeide op in een streng religieus gezin. Op zijn achttiende vertrok hij naar de Verenigde Staten, studeerde eerst aan de University of Hawaii en daarna geneeskunde aan de University of Chicago, waarna hij zich specialiseerde in de psychiatrie. Hij werkte vanaf de jaren zeventig met mensen met traumatische ervaringen en richtte in Boston het Trauma Center op.
Juist zijn eigen achtergrond vond ik opvallend toen ik mij in zijn werk verdiepte. Iemand die zelf uit een streng religieuze Nederlandse omgeving komt en vervolgens zijn professionele leven wijdt aan de vraag hoe overweldigende ervaringen doorwerken in lichaam en psyche, raakte natuurlijk iets in mijn eigen zoektocht.
Zijn bekendste boek heet in het Nederlands Traumasporen – Het herstel van lichaam, brein en geest na overweldigende ervaringen, de vertaling van The Body Keeps the Score. Van der Kolk beschrijft daarin hoe trauma invloed kan hebben op onder andere angst, aandacht, lichamelijke gewaarwording, relaties, emotieregulatie en het vermogen je veilig te voelen in je eigen lichaam. Zijn werk combineert klinische ervaring met onderzoek naar hersenen, gehechtheid en traumatische stress.
De oorspronkelijke titel The Body Keeps the Score wordt soms bijna letterlijk geïnterpreteerd alsof ieder trauma ergens als een compleet herinneringsbestand in spieren of bindweefsel ligt opgeslagen. Zo wil ik het niet gebruiken. Wat we wel weten, is dat sterke en langdurige stress invloed heeft op verschillende lichamelijke systemen en dat herinneringen of signalen die op eerder gevaar lijken opnieuw lichamelijke reacties kunnen oproepen. Van der Kolk beschreef in zijn onderzoek bijvoorbeeld hoe traumaherinneringen samen kunnen gaan met automatische reacties op zintuiglijke informatie en moeilijkheden bij het reguleren van lichamelijke activatie.
Dat verschil is voor mij belangrijk: Het lichaam onthoudt niet zoals een harde schijf onthoudt, maar een mens leert wel met zijn hele organisme.
Zenuwstelselregulatie: niet altijd rustig zijn, maar weer kunnen bewegen
Daarmee kwam ik uiteindelijk bij zenuwstelselregulatie, een begrip dat tegenwoordig overal lijkt op te duiken en soms zo gemakkelijk wordt gebruikt dat het bijna klinkt alsof we ons zenuwstelsel met drie keer diep ademhalen kunnen ‘resetten’. Voor mij betekent regulatie inmiddels iets anders.
Ons autonome zenuwstelsel regelt voortdurend processen waar we niet bewust over hoeven na te denken en speelt ook een belangrijke rol in onze reactie op stress. Bij dreiging bereidt het lichaam zich voor om te handelen, de hartslag en ademhaling kunnen veranderen, spieren spannen aan en energie wordt beschikbaar gemaakt; wanneer het gevaar voorbij is, beschikt het lichaam ook over systemen die herstel ondersteunen. Langdurige of chronische stress kan die lichamelijke systemen langdurig belasten.
Een gereguleerd zenuwstelsel is daarom voor mij niet een zenuwstelsel dat altijd kalm is. Dat zou zelfs niet gezond zijn, want als er werkelijk gevaar is wil je juist kunnen reageren. Boosheid mag energie geven, schrik mag je lichaam activeren, enthousiasme mag je hart sneller laten kloppen en verdriet mag je diep raken. Regulatie gaat veel meer over flexibiliteit, kan ik spanning verdragen zonder er volledig door overspoeld te raken, merk ik wat er met mij gebeurt en kan mijn systeem daarna ook weer terug richting herstel bewegen?
Dat veranderde ook mijn kijk op lichaamsgericht werken. Het doel is voor mij niet iemand zo snel mogelijk rustig krijgen en ook niet ieder ongemakkelijk gevoel ‘wegreguleren’. Soms is spanning juist informatie, soms moet boosheid gevoeld worden voordat een grens überhaupt herkenbaar wordt. Regulatie betekent dat er genoeg veiligheid en draagkracht ontstaat om bij jezelf aanwezig te kunnen blijven terwijl er iets gebeurt.
En veiligheid leren we niet uitsluitend alleen. We leren vanaf het allereerste begin ook via anderen, een rustige stem, afgestemde aanraking, iemand die blijft wanneer jij geëmotioneerd raakt en iemand die jouw grens respecteert, kunnen allemaal nieuwe ervaringen geven, dat noemen we ook wel co-regulatie. Later kunnen we steeds meer vaardigheden ontwikkelen om onszelf te reguleren, maar het idee dat ieder mens alles alleen zou moeten kunnen oplossen past voor mij juist niet bij hoe mensen zich ontwikkelen.
Wilhelm Reich: Een arts die het lichaam bij de psyche begon te betrekken
Hoe verder ik terugging in de geschiedenis van lichaamsgericht werken, hoe interessanter Wilhelm Reich voor mij werd, juist omdat zijn zoektocht niet begon bij spiritualiteit of alternatieve geneeskunde. Reich werd in 1897 geboren in Galicië, toen onderdeel van het Oostenrijks-Hongaarse rijk, en groeide op op een grote boerderij in de Boekovina. Zijn jeugd was bepaald niet onbezorgd, zijn moeder pleegde zelfmoord toen hij dertien was, zijn vader overleed enkele jaren later aan tuberculose en kort daarna brak de Eerste Wereldoorlog uit. Reich diende als officier aan het Italiaanse front en vertrok na de oorlog, vrijwel zonder bezit, naar Wenen om geneeskunde te studeren.
Daar kwam hij al tijdens zijn studie terecht bij Sigmund Freud en de Weense Psychoanalytische Vereniging. Hij werkte in de psychoanalytische polikliniek van Freud, gaf onderwijs en werd gezien als een van de veelbelovende jonge psychoanalytici. Toch bleef hij niet alleen kijken naar wat mensen dachten en vertelden, hij raakte steeds meer geïnteresseerd in wat hij lichamelijk waarnam: Ademhaling, houding, spierspanning en de manier waarop iemand zich als het ware kon vastzetten wanneer gevoelens langdurig werden onderdrukt. Daaruit ontstond zijn idee van het karakterpantser, later ook het spierpantser, waarbij psychologische bescherming volgens hem niet alleen zichtbaar werd in gedrag en gedachten, maar ook in chronische lichamelijke patronen.
Dat vind ik interessant, omdat hier al vroeg de vraag ontstaat of psyche en lichaam eigenlijk wel zo los van elkaar behandeld kunnen worden. Reich zag angst, schaamte, seksuele onderdrukking en emotionele controle niet alleen als psychologische processen, maar koppelde ze ook aan ademhaling, spierspanning en lichamelijke terughouding. Daarmee schoof hij steeds verder op van de klassieke psychoanalyse, waarin vooral werd gesproken en geïnterpreteerd, naar een benadering waarin ook het lichaam actief werd betrokken.
Reich was daarnaast maatschappelijk en politiek actief. In Wenen en later Berlijn zette hij centra op waar mensen uit de arbeidersklasse advies kregen over seksualiteit, anticonceptie en gezinsleven, hij pleitte voor seksuele voorlichting, echtscheidingsrechten en betere leefomstandigheden en verzette zich openlijk tegen het opkomende nazisme. Nadat Hitler aan de macht kwam moest hij Duitsland verlaten, waarna hij via Scandinavië uiteindelijk in 1939 naar de Verenigde Staten emigreerde.
Juist in Scandinavië veranderde zijn onderzoek opnieuw. Reich wilde weten of wat hij tot dan toe als biologische of seksuele energie beschreef ook fysisch waarneembaar of meetbaar was. Tijdens laboratoriumonderzoek meende hij kleine pulserende structuren te zien, die hij bionen noemde. Van daaruit ontwikkelde hij later zijn theorie over orgone-energie, een volgens hem overal aanwezige levensenergie die niet alleen in levende organismen, maar ook in de atmosfeer en de kosmos aanwezig zou zijn.
Hij probeerde die theorie ook praktisch te onderzoeken en ontwikkelde onder andere de bekende orgone accumulator, opgebouwd uit afwisselende lagen organisch materiaal en metaal, waarvan hij dacht dat die orgone-energie kon verzamelen en concentreren. Later ontwierp hij ook de zogenoemde cloudbuster, waarmee hij meende atmosferische orgone te kunnen beïnvloeden.
Juist daarom vind ik Reich zo'n ingewikkelde én fascinerende figuur. Ik hoef niet al zijn conclusies over te nemen om te zien hoe bijzonder zijn zoektocht was. Hij begon bij Freud en de psyche, kwam via zijn patiënten bij ademhaling, spieren en lichamelijke bescherming terecht en ging vervolgens steeds verder zoeken naar de vraag of achter die lichamelijke processen ook een vorm van biologische energie aanwezig was. Zijn latere theorie over orgone wordt binnen de reguliere wetenschap niet als aangetoonde energievorm erkend, maar zijn eerdere werk rond karakter, chronische spierspanning en de verbinding tussen lichaam en emotionele bescherming heeft wel invloed gehad op de verdere ontwikkeling van lichaamsgerichte psychotherapie.
Ik hoef niet alles van Reich te geloven om zijn oorspronkelijke vraag relevant te vinden: Kan psychologische bescherming ook een lichamelijke vorm aannemen?
Alexander Lowen: van rechten naar geneeskunde en de taal van het lichaam
Alexander Lowen bouwde op een deel van Reichs werk voort, maar ook zijn eigen levensloop vind ik interessant. Lowen werd in 1910 in New York geboren, werkte onder andere als docent en advocaat en kwam later bij Reich terecht voor therapie en opleiding. Uiteindelijk ging hij geneeskunde studeren en werd hij arts en psychotherapeut. Samen met John Pierrakos ontwikkelde hij de bio-energetische analyse.
Zijn boek The Language of the Body vat voor mij al in de titel samen waarom ik zijn werk interessant vind. Lowen keek naar de mogelijke samenhang tussen psychologische patronen, houding, ademhaling, spierspanning, beweging en emotionele expressie. Ik zou daar niet de conclusie aan willen verbinden dat je vanaf de buitenkant aan iemands lichaam kunt aflezen welk trauma iemand heeft meegemaakt, alsof een bepaalde schouderhouding automatisch één jeugdverhaal betekent. Een mens is daar veel te complex voor.
Wat ik er wel in herken, is hoe gemakkelijk we ons lichaam meenemen in het onderdrukken van wat we voelen. We zijn boos en glimlachen toch, we willen nee zeggen maar horen onszelf al ja zeggen, we houden onze adem in tijdens een spannend gesprek zonder dat we dat bewust besloten hebben, we spannen onze kaken of schouders aan terwijl we tegen onszelf zeggen dat het allemaal wel meevalt.
Lowen zag lichaam en psyche daarom niet als twee losstaande onderdelen van een mens. Zijn werk heeft een belangrijke plaats gekregen binnen de geschiedenis van de lichaamspsychotherapie.
Peter Levine: Van biophysica naar traumawerk
Peter Levine komt weer uit een andere hoek. Hij is de ontwikkelaar van Somatic Experiencing en heeft een doctoraat in de biophysica van UC Berkeley en daarnaast een doctoraat in de psychologie. Hij doceerde aan verschillende instellingen en werkte zelfs als stressconsultant voor NASA tijdens de vroege ontwikkeling van het Space Shuttle-programma. Zijn werk aan Somatic Experiencing ontwikkelde hij gedurende tientallen jaren vanuit biologie, fysiologie, psychologie en klinische observaties.
Ook bij Levine bleek later dat zijn professionele zoektocht een persoonlijke laag had. In An Autobiography of Trauma: A Healing Journey schrijft hij open over ernstig trauma in zijn eigen jeugd en over zijn eigen latere herstelproces. Dat maakt zijn geschiedenis voor mij menselijker, iemand kan jarenlang anderen helpen begrijpen wat trauma doet en ondertussen zelf nog lagen tegenkomen die aandacht vragen.
Zijn bekendste boek De tijger ontwaakt gaat over zijn lichaamsgerichte visie op trauma en vormt een belangrijke basis onder Somatic Experiencing. Een centrale gedachte in Levines werk is dat het organisme zich bij dreiging voorbereidt op bescherming en dat het zorgvuldig werken met lichamelijke sensaties en activatie kan helpen om opnieuw meer flexibiliteit en veiligheid te ervaren. Niet ieder detail van Levines theorieën heeft dezelfde wetenschappelijke onderbouwing en Somatic Experiencing is niet dé enige manier waarop trauma behandeld kan worden. Maar zijn werk heeft mij wel geholpen om anders te kijken naar beschermingsreacties. Vechten of vluchten is namelijk niet altijd mogelijk, zeker niet voor een kind dat afhankelijk is van ouders, kerk, familie of andere volwassenen. Dan kunnen stil worden, aanpassen, pleasen, voortdurend opletten en jezelf klein maken óók manieren worden om veiligheid en verbinding te bewaren.
Van buiten kan zo'n kind bijzonder gehoorzaam lijken, van binnen kan het zenuwstelsel ondertussen ontzettend hard aan het werk zijn.
Vijf verschillende denkers, niet één waarheid
Wanneer ik Maté, Van der Kolk, Reich, Lowen en Levine naast elkaar zet, wil ik dus niet doen alsof zij allemaal hetzelfde zeggen of alsof er één rechte wetenschappelijke lijn van Reich naar de moderne traumawetenschap loopt. Hun achtergronden verschillen, hun theorieën verschillen en niet al hun ideeën hebben dezelfde wetenschappelijke status.
Maté kijkt onder andere naar ontwikkeling, stress, authenticiteit en gezondheid, Van der Kolk naar traumatische stress, brein, lichaam en herstel, Reich kwam vanuit de psychoanalyse bij karakter en lichamelijke verdediging, Lowen bouwde lichaamspsychotherapie verder uit en Levine ontwikkelde een specifieke lichaamsgerichte traumabenadering.
Toch brachten ze mij vanuit verschillende richtingen bij een vergelijkbare vraag: wat gebeurt er als we een mens alleen proberen te begrijpen vanuit wat hij denkt en vertelt, terwijl een groot deel van zijn beschermingsreacties automatisch en lichamelijk verloopt?
Daar werd zenuwstelselregulatie voor mij uiteindelijk de ontbrekende schakel.
Religieuze angst verdwijnt niet altijd wanneer je overtuiging verandert.
Dat raakt rechtstreeks aan mijn eigen geschiedenis. Ik kon jarenlang onderzoeken en uiteindelijk tot de conclusie komen dat allerlei dingen mij anders waren geleerd dan ik ze nu begrijp, maar daarmee verdwenen oude reacties niet automatisch. Een woord als ‘afvallig’, een Bijbeltekst over oordeel, een gesprek waarin iemand zich met groot religieus gezag opstelde of simpelweg de herinnering aan die vervloeking kon nog iets anders aanraken dan alleen een gedachte.
Juist daar sluit Mantel van angst – Als religie onderdrukt, beschadigt of traumatiseert van Inge Bosscha voor mij aan. Bosscha schrijft vanuit haar eigen ervaring en duizenden verhalen van kerkgangers en kerkverlaters over geloofsstress, kerkpijn en religieus trauma. Ze onderzoekt onder andere hoe iets wat binnen een geloofsgemeenschap als liefde en bescherming wordt bedoeld toch onderdrukkend of beschadigend kan uitwerken. KokBoekencentrum
Dat vind ik zo belangrijk, omdat mensen niet per se slechte bedoelingen hoeven te hebben om angst door te geven. Ouders kunnen werkelijk denken dat zij hun kind voor de hel beschermen, een dominee kan overtuigd zijn dat hij iemand terug naar de waarheid probeert te brengen en een kerkelijke gemeenschap kan strenge grenzen zien als liefdevolle bescherming.
Voor een kind kan de boodschap ondertussen worden: Buiten dit kader is het gevaarlijk, je eigen gevoel is niet betrouwbaar, twijfel kan je van God verwijderen en ongehoorzaamheid kan gevolgen hebben.
Wanneer zulke boodschappen jarenlang worden herhaald, is het niet vreemd dat je ze later niet met één rationele beslissing uit je hele systeem verwijdert.
Wat het lichaam onthoudt
Wanneer ik dus schrijf dat het lichaam onthoudt, bedoel ik niet dat ergens in een spier een exacte herinnering aan een preek ligt opgeslagen. Ik bedoel dat ervaringen ons leren hoe we reageren, waar we aandacht aan geven, wat ons alarmsysteem herkent en welke bescherming we automatisch inzetten.
Langdurige stress heeft aantoonbaar effecten op onder andere spieren, ademhaling, hart en bloedvaten, hormoonsystemen, spijsvertering en het zenuwstelsel. Bij traumatische stress kunnen prikkels die aan eerdere gebeurtenissen doen denken bovendien reacties oproepen die niet goed passen bij het werkelijke gevaar in het huidige moment.
Je hoeft dan niet bewust te denken: Ik mag geen nee zeggen, je voelt misschien onmiddellijk schuld wanneer je het wel doet. Je hoeft niet te besluiten dat iemand boos gaat worden, je registreert al iedere verandering in stem en gezicht. Je hoeft niet bewust te denken dat vragen stellen gevaarlijk is, je merkt alleen dat er iets in je aanspant zodra je tegen een overtuiging ingaat.
En precies daarom vind ik de zin ‘mijn hoofd is verder dan mijn lichaam’ tegelijkertijd begrijpelijk en niet helemaal eerlijk tegenover dat lichaam. Misschien loopt het niet achter, misschien gebruikt het gewoon nog informatie die jarenlang noodzakelijk leek.
Zenuwstelselregulatie werd voor mij geen trucje, maar opnieuw leren ervaren.
Daarmee werd zenuwstelselregulatie voor mij veel meer dan ademhalingsoefeningen doen wanneer ik gestrest ben. Ademhaling kan helpen, net zoals beweging, gronding, lichaamsbewustzijn en contact met een veilige ander kunnen helpen, maar uiteindelijk gaat het voor mij om opnieuw leren herkennen wat er in mij gebeurt voordat ik mezelf voorbijloop.
Wanneer merk ik dat ik mijn adem inhoud, wanneer span ik mijn lichaam aan, wanneer schiet ik automatisch in oplossen, zorgen of aanpassen, wanneer zeg ik ja voordat ik überhaupt gevoeld heb wat ik zelf wil?
Vervolgens gaat het er niet om die reactie af te keuren, maar om ruimte te creëren tussen de automatische reactie en wat ik nu werkelijk nodig heb.
Daar zit ook het verschil tussen weten dat je veilig bent en veiligheid ervaren. Je kunt jarenlang weten dat je nee mag zeggen, maar wanneer je daadwerkelijk een grens trekt en ontdekt dat een gezonde relatie daardoor niet instort, krijgt je zenuwstelsel andere informatie. Je kunt weten dat boosheid een normale emotie is, maar wanneer iemand bij je blijft terwijl jij boos bent en je daarvoor niet veroordeelt, ontstaat een nieuwe ervaring. Je kunt rationeel weten dat onderzoek geen afvalligheid is, maar wanneer je daadwerkelijk kritisch onderzoek doet en merkt dat er geen goddelijke straf volgt, leert ook dat oude deel in jou langzaam iets nieuws.
Dat is voor mij regulatie: Niet nooit meer geactiveerd raken, maar kunnen opmerken dat je geactiveerd bent, aanwezig kunnen blijven, jezelf niet verliezen en daarna weer terug kunnen bewegen richting rust en verbinding.
Het lichaam is geen orakel.
Tegelijkertijd wil ik niet vanuit de ene uiterste overtuiging in de andere terechtkomen. Ik heb vroeger geleerd mijn lichaam en gevoel te wantrouwen, maar het antwoord daarop is voor mij niet dat ieder lichamelijk gevoel nu automatisch de waarheid spreekt.
Een gespannen buik kan aangeven dat er iets aan een grens raakt, maar kan ook samenhangen met voeding, hormonen of een lichamelijke aandoening. Een hoge hartslag kan stress zijn, maar ook inspanning of iets medisch. Angst kan waarschuwen voor werkelijk gevaar, maar kan net zo goed ontstaan doordat een situatie lijkt op iets wat vroeger gevaarlijk was.
Lichaamsgericht werken betekent voor mij daarom juist leren onderscheiden, in plaats van blind volgen.
Wat gebeurt er nu, wat voel ik, waar reageer ik op, is er op dit moment werkelijk gevaar of herkent mijn systeem iets van vroeger, welke keuze heb ik nu die ik toen misschien niet had? Het lichaam is geen orakel, maar het is ook niet iets dat we pas aandacht hoeven te geven wanneer het volledig vastloopt.
Misschien hoefde ik niet nóg harder aan mezelf te werken
Dat is uiteindelijk een van de belangrijkste dingen die deze hele verdieping mij heeft gebracht. Ik heb lang gedacht dat wanneer ik iets rationeel begreep, de rest vanzelf moest volgen, en wanneer dat niet gebeurde moest ik blijkbaar harder aan mezelf werken.
Nu kijk ik daar anders naar.
Misschien waren sommige reacties geen tekortkoming, maar bescherming. Alertheid kon ooit verstandig zijn, aanpassen kon verbinding behouden, geen conflict veroorzaken kon veilig zijn en mijn eigen vragen inslikken kon ooit voorkomen dat ik opnieuw werd afgewezen of veroordeeld.
Dat betekent niet dat ik die patronen voor altijd nodig heb.
Het betekent wel dat ik ze niet hoef te bevechten alsof mijn lichaam mijn tegenstander is.
Ik kan nieuwe ervaringen toevoegen. Ervaren dat ik vragen mag stellen en toch verbonden kan blijven, dat ik nee mag zeggen zonder een slecht mens te zijn, dat boosheid een grens kan aangeven zonder dat ik daarmee fout ben, dat iemand het oneens met mij kan zijn zonder dat mijn veiligheid verdwijnt, dat ik mijn geloof mag onderzoeken zonder bang te hoeven zijn voor een vloek of goddelijke vergelding.
Mijn geloofskader veranderde dus eerder dan mijn begrip van mijn lichaam, pas later kreeg ik taal voor zenuwstelselregulatie, stressreacties en de beschermingsstrategieën die een mens kan ontwikkelen.
Misschien wist mijn hoofd inderdaad eerder dat de wereld veranderd was, mijn lichaam had soms gewoon andere ervaringen nodig om dat ook te leren.
En misschien is dat wel de kern van wat ik tegenwoordig bedoel wanneer ik zeg dat het lichaam onthoudt: Niet dat het verleden letterlijk ergens in onze spieren verstopt zit, maar dat we met ons hele systeem leren wat veilig en onveilig voelt, en dat we dus ook met ons hele systeem opnieuw kunnen leren dat het vandaag anders mag zijn.
Boeken die bij deze zoektocht horen
Gabor Maté – Wanneer je lichaam nee zegt gaat over verborgen stress en de wisselwerking tussen emotionele patronen en lichamelijke gezondheid; Gabor Maté & Daniel Maté – De mythe van normaal verbreedt die blik naar cultuur, trauma, gezondheid en aanpassen. Bessel van der Kolk – Traumasporen: Het herstel van lichaam, brein en geest na overweldigende ervaringen verbindt trauma met hersenen, lichaam, relaties, regulatie en verschillende wegen naar herstel. Uitgeverij Mens!
Inge Bosscha – Mantel van angst gaat specifiek over geloofsstress, kerkpijn en religieus trauma. Peter A. Levine – De tijger ontwaakt beschrijft zijn lichaamsgerichte benadering van trauma, terwijl zijn latere An Autobiography of Trauma ook zijn eigen persoonlijke geschiedenis zichtbaar maakt. Alexander Lowen – The Language of the Body is een belangrijke historische tekst binnen de lichaamspsychotherapie en Wilhelm Reich – Character Analysis laat zien waar een deel van het denken over karakterpantser en lichamelijke verdediging vandaan komt, waarbij ik bij Reich nadrukkelijk onderscheid maak tussen zijn vroege klinische werk en zijn latere, niet wetenschappelijk onderbouwde theorie over orgone-energie.
Over de boekenlinks op deze pagina
Mijn blogs kun je gratis lezen en staan bewust niet achter een betaalmuur, omdat ik het belangrijk vind om mijn ontwikkeling, visie, ervaringen en kennis op een laagdrempelige manier te delen. Sommige links naar boeken op deze pagina zijn affiliate-links, wanneer je via zo'n link een boek koopt ontvang ik daarvoor een kleine vergoeding, voor jou verandert de prijs niet en je betaalt dus niets extra.
Door een boek via één van deze links aan te schaffen, steun je indirect mijn werk en de tijd en aandacht die ik in het lezen, onderzoeken, schrijven en delen van deze blogs steek.
Wil je na het lezen verder verdiepen, begeleiding ontvangen in een individuele sessie of kennismaken met mijn programma Bedding?
Kijk dan verder op mijn website voor de mogelijkheden of neem contact met mij op.
Deel 5:Deel 5 Religieus Trauma Syndroom: Wat als geloof angst in plaats van veiligheid heeft gebracht?
Praktijk Innersense Maurik
Auteur: Anne Marie Appeldoorn