Onveilige hechting en religieus trauma: Wat gebeurt er wanneer ze elkaar versterken?
Onveilige hechting en religieus trauma: Wat gebeurt er wanneer ze elkaar versterken?
In het vorige deel schreef ik over Religieus Trauma Syndroom, over angst voor de hel, schuld, schaamte, gehoorzaamheid en wat er kan gebeuren wanneer geloof niet alleen verbonden raakt met liefde en veiligheid, maar ook met dreiging en angst. Terwijl ik daarover schreef, bleef er voor mij nog een belangrijke laag liggen, namelijk hechting. Want wat gebeurt er wanneer je niet pas binnen religie leert om jezelf aan te passen, alert te zijn of bang te zijn om verbinding te verliezen, maar wanneer je zenuwstelsel dat al veel eerder heeft geleerd?
Religieus trauma ontstaat niet bij iedereen op dezelfde manier en een strenge religieuze opvoeding leidt ook niet automatisch tot trauma. Hetzelfde geldt voor onveilige hechting, het is geen etiket waarmee je achteraf iedere moeilijke jeugd kunt verklaren. Toch vind ik de combinatie belangrijk, omdat geloofsboodschappen die bij het ene kind misschien vooral als regels worden opgeslagen, bij een kind dat al weinig basisveiligheid ervaart een veel diepere laag kunnen raken. Dan gaat het niet alleen meer over wat mag en niet mag, maar over iets wat het zenuwstelsel al kent: Wat moet ik doen om veilig te blijven, de verbinding niet kwijt te raken en niet afgewezen te worden?
Hechting begint lang voordat een kind woorden heeft voor God.
Een kind wordt niet geboren met het vermogen om zichzelf volledig te reguleren. In de eerste jaren is het afhankelijk van andere mensen voor bescherming, nabijheid, geruststelling en regulatie. Via die ervaringen ontwikkelt zich langzaam een innerlijk beeld van relaties: Kan ik op iemand terugvallen wanneer ik bang ben, wordt er op mij gereageerd wanneer ik verdrietig ben, mag ik behoefte hebben aan nabijheid, blijft iemand beschikbaar wanneer ik boos ben en kan ik mezelf zijn zonder de verbinding te verliezen?
Maar ook: Wat gebeurt er wanneer ik niet luister, een fout maak, iets doe wat niet mag of als kind gewoon mijn grenzen uitprobeer? Wordt mij dan rustig uitgelegd wat er niet goed ging, of volgt er geschreeuw, afwijzing, vernedering of een pak slaag? Blijft de relatie veilig wanneer ik iets verkeerd doe, of leer ik dat liefde en veiligheid zomaar kunnen verdwijnen zodra ik niet voldoe aan wat er van mij wordt verwacht?
Wanneer die veiligheid voldoende aanwezig is, kan een kind stap voor stap leren dat spanning ook weer voorbijgaat, dat fouten maken niet betekent dat de verbinding verdwijnt en dat nabijheid niet voortdurend verdiend hoeft te worden. Wanneer die veiligheid onvoorspelbaar, afwezig of soms zelfs bedreigend is, moet een kind zich aanpassen. Het ene kind wordt extra alert op de stemming van anderen, een ander maakt zichzelf klein, weer een ander stopt met het tonen van behoeften of emoties en sommige kinderen leren voortdurend bevestiging te zoeken.
Dat zijn geen bewuste keuzes. Een jong kind denkt niet: Vanaf vandaag ga ik pleasen omdat dit mijn hechtingsstrategie is. Het zenuwstelsel probeert eenvoudigweg zo goed mogelijk om te gaan met de omgeving waarin het terecht is gekomen.
Juist daarom vind ik de link tussen onveilige hechting en religieus trauma zo belangrijk. Niet omdat onveilige hechting automatisch leidt tot religieus trauma, maar omdat een kind dat al geleerd heeft om verbinding voortdurend veilig te stellen, extra gevoelig kan zijn voor boodschappen waarin liefde, gehoorzaamheid, afwijzing en schuld met elkaar verweven raken.
En wat gebeurt er wanneer daar religie bovenop komt?
Stel dat je als kind al hebt geleerd dat je goed moet opletten hoe de mensen om je heen reageren, dat afwijzing heel bedreigend voelt, dat je jezelf moet aanpassen om de verbinding te behouden of dat je eigen behoeften niet vanzelfsprekend ruimte krijgen. Vervolgens kom je terecht in een religieus kader waarin gehoorzaamheid sterk wordt benadrukt, boosheid of eigenzinnigheid gemakkelijk negatief worden uitgelegd, zelfopoffering als iets goeds wordt gezien en twijfel niet alleen een verschil van mening betekent, maar misschien zelfs iets zegt over jouw relatie met God.
Dan kunnen verschillende lagen elkaar gaan versterken.
Het patroon ik moet mij aanpassen om de verbinding niet kwijt te raken kan samengaan met ik moet gehoorzamen om God niet kwijt te raken. De angst om een ouder teleur te stellen kan zich verbinden met de angst om God teleur te stellen, moeite met grenzen aangeven kan versterkt worden wanneer jezelf wegcijferen als liefdevol of dienstbaar wordt gezien en het wantrouwen van je eigen gevoel kan groter worden wanneer je tegelijkertijd leert dat je hart, je gedachten of je verlangens niet altijd te vertrouwen zijn.
Wanneer je als kind bovendien hebt ervaren dat ongehoorzaamheid thuis kon leiden tot geschreeuw, lichamelijke straf, vernedering, afstand of verlies van veiligheid, kan de religieuze boodschap dat ook God gehoorzaamheid verwacht een extra lading krijgen. Dan is “ongehoorzaam zijn” niet alleen een regel overtreden, maar kan het zenuwstelsel daar al een veel oudere betekenis aan hebben gekoppeld: Ongehoorzaam zijn is gevaarlijk, ongehoorzaam zijn kan pijn doen, ongehoorzaam zijn kan betekenen dat ik de verbinding verlies.
Daarmee zeg ik nadrukkelijk niet dat religie onveilige hechting veroorzaakt of dat religieuze opvoeding per definitie schadelijk is. Voor veel mensen kan geloof juist een bron van veiligheid, verbinding en vertrouwen zijn. Het wordt ingewikkelder wanneer het godsbeeld vooral verbonden raakt met oordeel, dreiging, straf of voorwaardelijke acceptatie, zeker wanneer iemand vanuit eerdere relaties al gevoelig is geworden voor verlies van verbinding en veiligheid.
Wanneer God of religie onderdeel wordt van een patroon dat al bestond.
Wanneer een kind veiligheid vooral buiten zichzelf zoekt, zijn ouders, verzorgers en andere belangrijke volwassenen bepalend voor hoe het de wereld begrijpt. Zij vertellen niet alleen wie God is, zij zijn in het begin ook de mensen van wie het kind leert wat liefde, veiligheid, gezag en vertrouwen betekenen. Een jong kind heeft nog niet de mogelijkheid om te denken: Mijn ouders interpreteren deze Bijbeltekst vanuit één bepaalde theologische stroming en daar bestaan ook andere visies op.
Wat belangrijke volwassenen als waarheid aanbieden, wordt in eerste instantie onderdeel van de werkelijkheid van het kind.
Wanneer de boodschap vervolgens is dat God altijd meekijkt, je gedachten kent, ongehoorzaamheid ziet en uiteindelijk zelfs over je eeuwige bestemming beslist, kan dat bij een kind dat al sterk gericht is op dreiging en afwijzing extra zwaar binnenkomen. Dan komt bovenop de menselijke hechtingsvraag ben ik nog veilig bij jou? misschien ook een spirituele vraag te liggen: Ben ik nog veilig bij God?
Juist daar kan voor mij een versterking ontstaan. Wanneer je thuis hebt geleerd dat liefde, veiligheid of rust afhankelijk konden zijn van je gedrag, en je vervolgens ook leert dat jouw verhouding tot God afhankelijk is van geloven, gehoorzamen, berouw hebben en niet afdwalen, kunnen die twee werelden heel gemakkelijk in elkaar schuiven. De ouderlijke angst en de religieuze angst worden dan niet twee losse ervaringen, maar kunnen één groter patroon worden van voortdurend opletten of je het wel goed doet.
En juist daarom denk ik dat religieus trauma soms niet los gezien kan worden van wat iemand daarvoor of daarnaast al heeft geleerd over relaties, veiligheid en zichzelf.
Mijn eigen weg liep jarenlang door de psychiatrie.
Ik vind het belangrijk om hier iets persoonlijks aan toe te voegen, juist omdat lichaamsgericht werken soms tegenover psychologie of psychiatrie wordt gezet. Dat is nadrukkelijk niet hoe ik ernaar kijk. Ik wijs psychologische of psychiatrische hulp niet af, integendeel, ik heb daar zelf jarenlang intensief gebruik van gemaakt.
In 2015 kreeg ik de diagnose chronische PTSS vanaf geboorte tot en met heden, waarbij mijn voorgeschiedenis vanaf zeer jonge leeftijd werd meegenomen en de fraudelijsten met toeslagenaffaire ook in deze periode speelde , in combinatie met wat toen conversiestoornis werd genoemd en tegenwoordig vaker Functionele Neurologische Stoornis, FNS, wordt genoemd. Daarna heb ik jarenlang therapie gehad binnen de psychiatrie.
Mijn psychiater heeft destijds een behoorlijk lastige tante aan mij gehad. Zij koos ervoor mij niet simpelweg medicatie te geven om alles wat ik voelde te dempen, maar vond dat ik de confrontatie met mijn verleden aan moest gaan. Ik moest er dwars doorheen, hoe zwaar dat soms ook was. Dat traject liep door tot eind 2019 en heeft ontzettend veel van mij gevraagd, maar het heeft mij ook veel gebracht.
Na mijn ontslag uit therapie in 2019 ben ik zelf verder gaan zoeken. Ik wilde begrijpen waarom verlatingsangst en bindingsangst zo diep konden zitten, hoe die patronen ontstonden en vooral hoe ik ze kon doorbreken. Ik ben daar boeken over gaan lezen, heb cursussen gevolgd en ben steeds bewuster gaan kijken naar mijn eigen reacties, relaties, grenzen en patronen. De therapie was dus niet het eindpunt van mijn herstel, maar eigenlijk ook het begin van een veel bredere zoektocht waarin ik steeds meer ging begrijpen over hechting, gedrag, lichaam en zenuwstelsel.
Toen ik in 2021 opnieuw bij mijn psychiater terechtkwam na een forse terugval met FNS, heb ik haar ook verteld wat ik in die tussenliggende jaren zelf had onderzocht en geleerd. Tegelijkertijd gingen we opnieuw kijken naar mijn geschiedenis met FNS. Wanneer we de tijdlijn teruglegden naar 2010, het jaar waarin de FNS zich bij mij voor het eerst openbaarde, zagen we hoe sterk periodes van extreme stress, onveiligheid en alles wat later rondom de fraudelijsten en de toeslagenaffaire zichtbaar werd, met die lichamelijke uitval verweven waren geraakt. Voor mij werd daardoor steeds duidelijker dat mijn lichaam niet los gezien kon worden van wat er jarenlang om mij heen en met mij was gebeurd.
Andere professionals zeiden destijds tegen haar: “U kent Anne Marie beter dan wij.” Haar reactie ben ik nooit vergeten:
“Deze vrouw? Die ken ik niet. Dit is een hele andere vrouw dan toen ik haar voor het laatst onder behandeling had.”
Ze zei daarbij dat ik voor haar de eerste cliënt was bij wie zij zag dat onveilige hechtingspatronen zo fundamenteel waren veranderd en dat ik na mijn behandeling bewust verder was blijven zoeken. Wat mij misschien nog wel het meeste raakte, was dat zij eraan toevoegde: “En ik leer van haar.”
Dat kwam van een psychiater die jarenlang degene was geweest van wie ík leerde. Op dat moment maakte haar opmerking mij vooral verlegen. Ik wist eigenlijk niet goed hoe ik met zo’n compliment om moest gaan, zeker niet wanneer het van professionals kwam. Een deel van mij wilde het bijna kleiner maken of snel weer verder naar het volgende onderwerp, terwijl het achteraf juist een belangrijk moment was. Het liet mij zien dat er werkelijk iets fundamenteels veranderd was, ook al voelde dat voor mijzelf soms nog niet zo groot. Nu kan ik bij een compliment glimlachen en het ontvangen met een welgemeend dank je wel, dit doet mij goed!
Juist dat moment liet mij ook zien dat herstel voor mij niet bestond uit één therapie, één methode of één professional, maar uit alles wat daarna bij elkaar kwam: De psychiatrische behandeling, mijn eigen zoektocht, het begrijpen van hechting, het leren herkennen van verlatingsangst en bindingsangst, de boeken en cursussen die ik daarna zelf ben gaan volgen, en later ook het steeds beter begrijpen van wat mijn lichaam en zenuwstelsel mij probeerden te vertellen.
Psychologische behandeling was nodig, maar mijn lichaam deed ook mee.
Tegelijkertijd begon ik in de jaren daarna steeds beter te begrijpen dat inzicht alleen voor mij niet het hele antwoord was. Ik kon precies begrijpen waar mijn patronen vandaan kwamen, ik kon mijn verleden onder ogen zien, verbanden leggen, overtuigingen onderzoeken en rationeel weten dat een situatie in het heden niet dezelfde situatie was als vroeger, terwijl mijn lichaam soms toch veel sneller reageerde dan mijn hoofd.
Daar zit voor mij een belangrijk punt. In mijn eigen psychiatrische behandeling lag het zwaartepunt vooral op begrijpen, verwerken, denken, gedrag en de confrontatie aangaan met mijn verleden. Dat heeft mij enorm geholpen en ik zou dat deel van mijn behandeling absoluut niet willen wegstrepen. Tegelijkertijd begrijp ik inmiddels veel beter dat mijn lichaam en zenuwstelsel tijdens dat hele proces óók meededen.
Je kunt weten dat je veilig bent en toch spanning voelen, je kunt begrijpen dat iemand je niet gaat verlaten en toch onmiddellijk angst voelen bij afstand, je kunt rationeel weten dat je een grens mag stellen en toch merken dat alles in je lichaam roept dat je het vooral goed moet maken met de ander. Je kunt ook allang niet meer geloven dat God je straft omdat je anders denkt en toch merken hoe snel een oud gevoel van angst terugkomt wanneer iemand opnieuw over oordeel, zonde of de hel begint.
Dat betekent voor mij niet dat therapie niet gewerkt heeft, het laat juist zien dat herstel uit verschillende lagen bestaat.
Je kunt een patroon begrijpen en er toch lichamelijk opnieuw in terechtkomen
Dat vind ik ook belangrijk bij onveilige hechting. We spreken daar soms over alsof het vooral een manier van denken over relaties is, terwijl hechting zich ook afspeelt in automatische reacties op nabijheid, afstand, conflict en dreiging.
Je kunt inmiddels een gezonde relatie hebben en toch merken dat afstand iets ouds raakt, je kunt weten dat je niet verantwoordelijk bent voor de emoties van een ander en toch onmiddellijk willen oplossen wat die ander voelt, je kunt precies begrijpen waarom je vroeger pleaste en toch merken dat je lichaam al “ja” heeft gezegd voordat je bewust hebt kunnen voelen dat je eigenlijk “nee” bedoelde.
Daar komt het zenuwstelsel opnieuw in beeld. Het probeert niet logisch te redeneren of een theologische discussie te winnen, het reageert op wat het heeft leren herkennen als veiligheid en gevaar.
Wanneer religieuze angst bovenop eerdere hechtingspatronen is gekomen, kan een trigger daarom meerdere lagen tegelijk aanraken. Niet alleen: Mag dit van God? Maar ook: Word ik afgewezen, hoor ik er nog bij, ben ik nog veilig, doe ik het wel goed, mag ik mijn eigen gevoel vertrouwen en wat gebeurt er wanneer ik nee zeg?
Niet óf praten óf voelen, maar beide serieus nemen.
Misschien is dat uiteindelijk waar ik steeds meer naartoe ben gegroeid. Soms moet je praten, begrijpen, onderzoeken en de confrontatie aangaan met wat er gebeurd is. Soms heb je een psycholoog, psychotherapeut of psychiater nodig die voldoende kennis heeft om je niet om je pijn heen te laten lopen en die samen met jou durft te kijken naar patronen die al heel lang bestaan.
Maar daarnaast kan het nodig zijn om te leren herkennen wat er gebeurt wanneer je getriggerd wordt. Wat gebeurt er in mijn lichaam, waar spant mijn lichaam zich aan, wanneer verandert mijn ademhaling, wanneer ga ik mijn omgeving scannen, wanneer pas ik mij automatisch aan, wanneer raak ik het contact met mijn eigen grens kwijt en wanneer schiet mijn zenuwstelsel terug naar een oude staat van alarm?
Voor mij horen die twee inmiddels bij elkaar. Niet omdat ieder psychisch probleem lichamelijk opgelost kan worden en ook niet omdat lichaamsgericht werken psychiatrische behandeling kan vervangen, maar omdat ik heb ervaren hoe groot het verschil kan zijn tussen iets begrijpen en het daadwerkelijk ook anders leren ervaren.
Juist daar zit voor mij de meerwaarde van samenwerking: Niet alleen begrijpen waarom een patroon is ontstaan, maar ook leren herkennen wat er in het lichaam gebeurt op het moment dat dat patroon opnieuw wordt geactiveerd. Pas wanneer hoofd, lichaam en zenuwstelsel samen worden meegenomen, ontstaat er ruimte om niet alleen anders te denken, maar ook anders te reageren en uiteindelijk anders te ervaren.
Daarom wil ik psychiatrie en lichaamsgericht werken niet tegenover elkaar zetten.
Ik denk dat we een kans missen wanneer we psychologische behandeling en lichaamsgericht werken als twee concurrerende werelden blijven behandelen. Ik wil helemaal niet zeggen dat iemand met ernstig trauma in plaats van naar een psycholoog of psychiater maar naar een lichaamsgericht therapeut zou moeten gaan. Bij complexe psychiatrische klachten, PTSS, dissociatie of FNS kan goede professionele diagnostiek en behandeling juist ontzettend belangrijk zijn.
Waar ik wél voor pleit, is meer samenwerking.
De psychiatrie hoeft daarbij niet alleen naar gedachten en overtuigingen te kijken en lichaamsgericht werken hoeft niet te doen alsof alles wat psychisch speelt simpelweg met regulatie van het zenuwstelsel kan worden opgelost. Een mens bestaat niet uit losse onderdelen, hoofd aan de ene kant en lichaam aan de andere kant, en trauma houdt zich al helemaal niet netjes aan de grenzen van beroepsgroepen.
Ik geloof juist dat er veel winst te behalen valt wanneer psychologische of psychiatrische behandeling en lichaamsgericht werken elkaar aanvullen, zeker wanneer iemand niet alleen cognitieve klachten ervaart, maar ook merkt dat het lichaam steeds opnieuw in een oude staat van alarm terechtkomt. Wanneer iemand tegelijkertijd leert begrijpen waar patronen vandaan komen én leert herkennen wat er lichamelijk gebeurt wanneer die patronen geactiveerd worden, kan er op meerdere niveaus tegelijk verandering ontstaan.
Daarbij vind ik het belangrijk om niet te doen alsof één aanpak voor iedereen werkt of alsof lichaamsgericht werken bewezen sneller herstel geeft bij iedere vorm van trauma. Mijn overtuiging komt voort uit mijn eigen ervaring en uit wat ik zie in het werken met lichaam en zenuwstelsel: Wanneer we alleen het hoofd behandelen terwijl het lichaam telkens opnieuw alarm slaat, missen we mogelijk een deel van het verhaal.
Meer aandacht voor het lichaam en zenuwstelsel binnen de psychiatrie.
Juist daarom zou ik graag zien dat er binnen de psychiatrie nog meer aandacht komt voor het lichaam en het zenuwstelsel. Niet als vervanging van psychotherapie, diagnostiek of medische behandeling, maar als aanvulling daarop.
Wanneer iemand jarenlang in een verhoogde staat van alertheid heeft geleefd, voortdurend de omgeving scant, snel bevriest, zichzelf automatisch aanpast of lichamelijke spanning ervaart zodra een oude trigger wordt geraakt, vind ik het logisch om niet alleen te vragen: Wat denk je op dat moment? Maar ook: Wat gebeurt er in je lichaam voordat je überhaupt bewust hebt kunnen nadenken?
Waar voel je de spanning, verandert je ademhaling, trek je je schouders omhoog, verstijf je, wil je vluchten, verlies je het contact met je eigen behoeften of voel je misschien juist helemaal niets meer?
Dat zijn voor mij geen onbelangrijke details naast het “echte” psychologische werk, ze vertellen iets over hoe iemand op dat moment veiligheid en gevaar ervaart.
Ik zou daarom veel meer samenwerking willen zien tussen psychiatrie, psychologie, neurologie en lichaamsgerichte behandelvormen, waarbij ieder zijn eigen deskundigheid houdt, maar de mens niet langer wordt opgedeeld in afzonderlijke onderdelen.
En precies daar raakt onveilige hechting aan religieus trauma
Wanneer je als kind onvoldoende hebt kunnen ervaren dat verbinding veilig blijft terwijl jij jezelf bent, kan religie een prachtige nieuwe bron van veiligheid worden, maar religie kan die kwetsbare plek ook raken of versterken wanneer God vooral wordt verbonden aan gehoorzaamheid, oordeel, schuld en angst.
Dan gaat herstel misschien niet alleen over opnieuw onderzoeken wat er werkelijk in de Bijbel staat of over ontdekken welke overtuigingen je niet langer gelooft. Het gaat ook over opnieuw ervaren dat verbinding niet afhankelijk hoeft te zijn van jezelf wegcijferen, dat een grens niet automatisch afwijzing betekent, dat verschil van mening niet hetzelfde is als verlaten worden, dat boosheid niet betekent dat je slecht bent en dat je jezelf niet hoeft kwijt te raken om liefde, gemeenschap of misschien zelfs God te mogen ervaren.
Voor mij is dat uiteindelijk ook de diepere laag van mijn eigen zoektocht geweest. Niet alleen begrijpen waarom ik zo geworden was, maar ontdekken dat oude patronen daadwerkelijk kunnen veranderen. Niet doordat ik mijn verleden wegpoets of doe alsof mijn zenuwstelsel nooit meer reageert, maar doordat ik inmiddels sneller herken wat er gebeurt en steeds opnieuw andere keuzes kan maken.
Mijn psychiater zei ooit dat zij bij mij zag dat onveilige hechting doorbroken kon worden. Zelf zou ik daar nu misschien aan toevoegen: Doorbreken betekent voor mij niet dat het verleden uit je lichaam wordt gewist, maar dat het verleden niet langer iedere keer hoeft te bepalen wat je in het heden doet.
Misschien hebben we juist meer samenwerking nodig
Mijn ervaring met de psychiatrie heeft mij mede gebracht waar ik nu ben. Mijn verdere zoektocht naar het lichaam en het zenuwstelsel heeft daar geen streep door gezet, maar er juist een extra laag aan toegevoegd. Juist daarom geloof ik niet in een tegenstelling tussen psychologie en lichaamsgericht werken, maar in het samenbrengen van verschillende vormen van kennis.
Niet ieder mens heeft alles nodig en niet iedere klacht vraagt dezelfde behandeling, maar bij langdurig trauma, onveilige hechtingspatronen, lichamelijke ontregeling en religieus trauma lijkt het mij veel logischer om naar de hele mens te kijken dan naar afzonderlijke stukjes. Misschien zit herstel daarom niet in de keuze tussen hoofd of lichaam, psychologie of lichaamsgericht werken, maar in het moment waarop we stoppen die twee uit elkaar te halen.
Die verdieping zoek ik niet alleen vanuit mijn eigen ervaringen. Naast mijn opleidingen en diploma's met certificaten als holistisch therapeut, familieopsteller en systemisch coach, Reiki Master en NEI-coach/therapeut, ben ik op dit moment verder in opleiding op het gebied van internationaal traumacoach, Breakthrough coach en advanced master systemisch coach Hiermee verdiep ik mij verder in professionele coaching richting het niveau van ICF Master Certified Coach, MCC, juist omdat ik mijn kennis over trauma, gedrag, systemen, hechting, het lichaam en duurzame verandering steeds verder met elkaar wil verbinden.
De Master Certified Coach-credential is het hoogste credentialniveau van de International Coaching Federation en vraagt veel meer dan alleen het volgen van een opleiding. Om deze credential daadwerkelijk te kunnen behalen, gelden onder andere eisen rond coachspecifieke opleiding, uitgebreide praktijkervaring, mentorcoaching, een performance-evaluatie en het ICF Credentialing Exam. ICF
Voor mij zit juist daarin de waarde: Niet simpelweg nóg een titel behalen, maar mij steeds verder verdiepen en professionaliseren in hoe verandering werkelijk ontstaat en hoe verschillende lagen van een mens met elkaar samenhangen.
Juist bij religieus trauma kan die brede blik belangrijk zijn. De angst bestaat soms niet alleen uit wat iemand nog gelooft, maar ook uit wat een lichaam en zenuwstelsel jarenlang hebben geleerd over liefde, verbinding, gehoorzaamheid, afwijzing en veiligheid. Wanneer daar ook onveilige hechting, traumatische ervaringen of langdurige alertheid onder liggen, geloof ik dat we tekortdoen aan de mens wanneer we slechts naar één laag kijken.
Mijn wens om psychiatrie, psychologie en lichaamsgericht werken dichter bij elkaar te brengen komt daarom niet voort uit een afwijzing van de reguliere zorg, integendeel. Ik heb zelf ervaren hoeveel die zorg mij heeft gebracht. Juist daardoor ben ik steeds nieuwsgieriger geworden naar wat er nog meer mogelijk is wanneer psychologische verwerking, systemisch kijken, aandacht voor hechting en het reguleren van lichaam en zenuwstelsel elkaar niet uitsluiten, maar elkaar aanvullen.
Deel 7: Deel 7 Systemisch werk en religieus trauma: Wat draag je nog mee uit je familiesysteem?
Herken je jezelf hierin?
Misschien herken je dat je rationeel allang begrijpt waarom je bepaalde patronen hebt en toch merkt dat je lichaam soms sneller reageert dan je hoofd, misschien herken je de combinatie tussen onveilige hechting en religieuze angst of merk je dat grenzen stellen, nee zeggen en vertrouwen op je eigen gevoel ingewikkelder zijn dan ze van buitenaf lijken.
Binnen Praktijk Innersense kijk ik juist naar die verschillende lagen, naar wat je denkt en gelooft, maar ook naar wat je lichaam en zenuwstelsel hebben geleerd. Daarbij zie ik lichaamsgericht werken niet als vervanging van psychologische of psychiatrische behandeling wanneer die nodig is, maar juist als een mogelijke aanvulling.
Wil je als Professionals meer weten?
Die uitnodiging geldt daarom niet alleen voor mensen die zichzelf in dit verhaal herkennen, maar ook voor professionals. Ben je psycholoog, psychotherapeut, psychiater, arts, behandelaar of werk je op een andere manier met trauma, hechting of psychische gezondheid en herken je de behoefte om hoofd, lichaam en zenuwstelsel meer met elkaar te verbinden, dan sta ik open voor kennismaking, verdieping en samenwerking. Niet om elkaars vakgebied over te nemen, maar juist om vanuit verschillende deskundigheden naast elkaar te kunnen staan, te onderzoeken wat iemand nodig heeft en elkaar te versterken.
Mijn wens is dat die werelden steeds vaker naast én met elkaar gaan werken, juist omdat een mens niet uit afzonderlijke delen bestaat. Psychologische en psychiatrische kennis, systemisch kijken en lichaamsgericht werken hoeven elkaar niet te vervangen, maar kunnen elkaar juist aanvullen. Ik geloof dat daar nog veel te winnen valt, wanneer we niet langer hoeven te kiezen tussen het hoofd of het lichaam, maar samen kijken naar de mens als geheel.
Auteur: Praktijk Innersense Maurik
Anne Marie Appeldoorn